Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te gaan. Daar dit echter niet het geval is en ook de bedoelde verzen geen bepaald Stoïsch cachet dragen, mogen we, dunkt mij, de tegen-argumenten, die ook hier niet ontbreken, wel zwaar laten wegen.

De parallelen, die Palm bijbrengt zijn alle van latere auteurs (Ovidius, Seneca, Tacitus, Marcus Aurelius) en bewijzen dus alleen, dat Prediker verwantschap vertoont met het latere Grieksch-Romeinsch Hellenisme. Was dit nu echter, wat algemeene geestesrichting betreft, een neerslag van de Stoa. dan zou het mogelijk zijn, dat onze auteur de latere ontwikkeling van deze school op merkwaardige wijze was vooruitgeloopen. Wij hebben hier echter niet zoozeer te doen met een' bepaalde filosofie als wel met esn' tijdgeest. De dichters en schrijvers, die de beste commentaren leveren op het boek Prediker, vertolken ons de stemming van de ten ondergang neigende oude beschaving. Zou hier niet de oorzaak liggen van de overeenkomst, die bestaat tusschen gedachten en uitdrukkingen van deze jongere schrijvers en die van onzen Joodschen auteur?1) Verwante gemoedsstemming, veroorzaakt door denzelfden tijdgeest of door dezelfde toevallige persoonlijke omstandigheden, kan hier de verwantschap in taal en gedachten, dunkt mij, het best verklaren. In alle tijden en onder alle volkeren heeft Prediker zijn' geestverwanten ; die in dergelijken vorm2) den indruk hebben weer-

i), Cf. Siegfried. Kommentar, S. 42.

S). Cf. Tolstoï's „Meine Beichte".

Sluiten