Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

me, wel eens terdege toezien, of de gedachte niet ligt in Israëlitische resp. Joodsche lijn.

In Israël werd onderscheid gemaakt tusschen den mensch en het dier. De mensch is naar Gods beeld geschapen ; Jahwe Elohim blies in zijn' neusgaten den adem des levens en zoo werd de mensch tot een rvn üe:. Dit voorrecht van den mensch boven het dier sluit echter geen onsterfelijkheid in; het is het postulaat van een' verbondsbetrekking tusschen den mensch en zijn' God. Dat de enkele mensch sterft als het dier, dat wist iedere Israëliet ; het leven in het sombere schimmenrijk kan geen persoonlijk voortbestaan genoemd worden. Deze harde werkelijkheid kon men echter in Israël van zich afhouden door het eigenaardig geloofsidealisme. Het leven van den Israëliet was onafscheidelijk verbonden met het leven van het volk, en het waren het geloof in de onsterfelijkheid van de natie en de geestdrift voor den heilstijd, welke komen zou, die den kommer over het troostelooze lot van den enkeling verdreven. Dit begon echter anders te worden, toen het individueele leven sterker zijn' rechten deed gelden. Ieder zag zich nu persoonlijk geplaatst voor het groote feit, dat bij den toenemenden ongunst der tijden door de vromen steeds meer als een probleem moest worden gevoeld. Bij Sirach ') lezen wij . Alle vleesch veroudert als een kleed en het is een eeuwige

i) Sirach 14 : 17—20. Ed. E. Smend.

Sluiten