Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche vertaling van het Platonische «rqraioi? óitTtïr?;, waarmee Plato den schedel bedoelt. Maar de schedel wordt toch by het sterven niet gekneusd; en wat bedoelt de schrijver in dat geval met het adjectief „gouden"?

In de 2de helft van het vers vergelijkt Prediker het ophouden van een' bepaalde levensfunctie met het gebroken worden van een' emmer in de bron. Dit doet Tyler denken aan een' beeldspraak, waarvan Plato zich bedient bij de beschrijving van de spijsvertering. Volgens dezen filosoof dringt het vuur, de fijnste van de vier grondstoffen, waaruit het lichaam is opgebouwd, bij de ademhaling, door de longen in de buikholte; het vermengt zich hier met het voedsel — vaste stoffen en water — en lost het op, zoodat het in fijner stoffen wordt omgezet en geschikt is, om door de grovere wanden heen te dringen, en in de aderen als bloed te worden opgenomen. In dit verband bedient Plato zich van de volgende beeldspraak : „Het vuur schept ze — de voedingsmiddelen — in de aderen over, als uit een bron in de kanalen."*) Zou Prediker dit beeld voor den geest gestaan hebben ?

De uitdrukking wordt inderdaad opmerkelijk in verband met hetgeen we verder in Plato's Timaeus omtrent het ademhalingsproces lezen. „Laat ons nog zoeken" zegt Plato, het verschijnsel van de

!) oiov ix KQtjvt/i in ó%tTovg im ra,- qXefiai atulouv ui'tu. Cf. Timaeus, 79.

Sluiten