Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens Tyler toont Prediker hier kennis te hebben van de Aristotelische ethiek, en wel in 't bijzonder de laatste vershelft zou onmiddellijk terugslaan op de definitie, die Aristoteles geeft van het hoogste goed.

Als ik Tyler goed begrijp, dan is volgens hem de Joodsche denker op de volgende wijze met de Aristotelische filosofie in aanraking gekomen. Prediker heeft de definitie van Aristoteles gehoord of gelezen, en aangezien hij hetzelfde zocht, wat deze Griek meende gevonden te hebben, n.1. het antwoord op de vraag: „Wat moet de menscb doen, opdat hij gelukkig zal worden ?" verdiepte hij zich in de oplossing, hem door Aristoteles aan de band gedaan. De weg, dien de Joodsche godsdienst hem had aangewezen, was tegen de kritiek der ervaring niet bestand gebleken. Zou deze Griek nu werkelijk de oplossing van het levensprobleem gevonden hebben ?

Aristoteles noemde als het hoogste goed: „De redelijke of deugdzame werkzaamheid der ziel gedurende geheel het leven" ; of, zooals hij het uitdrukt: ro av9Q(onivov aycciïov ivtqytia yivtxixi xar aQtTijv

in 5'iv |?ia> Elders beschrijft de Griek-

sche denker, meer in overeenstemming met den gedachtengang van den Joodschen Wijze dit ideaal als een practisch goed — ro navtaJ" (ixgorarov rcov

ngaxriof ctyalhtif.

Nu zou de Prediker zich, volgens Tyler, al nadenkend de vraag gesteld hebben: „Wat is dan dit practisch goed, 't welk den mensch, zoo hij het doet,

Sluiten