Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de eerste plaats dus 2: 16—19. We laten hier de pericoop in haren samenhang volgen: „Mijn zoon, och of gij mijne woorden aannaamt, mijne geboden

bü U weglegdet ; dan zult gij de vreeze van

Jahwe verstaan en de kennis van God vinden. Want Jahwe geeft Wijsheid, uit zijnen mond komt kennis en verstand; hij legt voor de braven beleid weg, een schild is hij voor hen, die onberispelijk wandelen; zoodat hij waakt over de paden des rechts en den weg zijner vromen behoedt. Dan zult gij gerechtigheid, recht en billijkheid verstaan, eiken weg van het goede. Want Wijsheid zal in uw hart komen en kennis uwe ziel aangenaam zijn. Schranderheid zal de wacht over u houden en het verstand zal u bewaken; om u te redden van den weg des slechten, van den man, die verkeerde dingen spreekt; van hen, die de paden der braafheid verlaten hebben, om de wegen der duisternis te bewandelen; die zich verheugen in kwaaddoen, juichen in verkeerdheden; menschen, wier wegen krom zijn, welker paden verkeerd zijn; om u te redden van de vreemde vrouw, van de boeleerster met hare gladde woorden, die den man harer jeugd verlaten heeft, het verbond haars Gods heeft vergeten; want haar huis zinkt naar den dood en naar de schimmen leidt haar weg; al wie tot haar inkeert, keert niet terug, bereikt niet de paden des levens."

Friedlander vindt in deze pericoop een' allegorische toespeling op de sinds Alexander den Groote in de

Sluiten