Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joodsche Gemeente binnendringende Grieksche cultuur. !) „Man hat" zegt hij „gefunden, dass die Weisheit in den Sprüchen personifiziert ist; ebenso die Torheit. Man hat aber nicht gefunden, dass hier auch der neue Geist in seiner gefahrbringenden Gestalt uns allegorisch dargestellt wird und zwar in dem „fremden Weibe", dessen bezauberndes Wesen den Abfall vom Bunde Gottes verkörpert."

Het zal den lezer verbazen, dat achter de eenvoudige woorden van den Spreukendichter, waarvan de gewone verklaring voor de hand schijnt te liggen, zoo geheimzinnige gedachten zijn gezocht. Friedlander en Sellin staan hier echter niet alleen. Zoo heeft Peizer in de O. L. Z., 1900, S. 450 sqq. het vermoeden geopperd, dat de schildering van de „vreemde vrouw" de overwerking zou zijn van een' Babylonische mythe, waarin het verderf beschreven wordt, dat Istar Tammuz brengt over den vriend harer jeugd, wien zij, naar de 6de tafel van het Gilgames-Epos telken jare doet weenen, wanneer hij in de onderwereld afdaalt. 5 : 3—5 zou herinneren aan het antwoord, waarmee Gilgames de verleidingen van Istar afwijst. 2)

Men ziet, ook de Oriëntalisten hebben het hunne gedaan, om de exegese van het Spreukenboek minder eenvoudig te maken dan ze ons toeschijnt.

Wij hebben hier alleen de meening van Friedlander

1) Evenzoo E. Sellin.

2) 0f_ Alfred Jeremias. Das A. T. im Lichte des alten Orients. S. 336 en 337.

Sluiten