Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb ik mijne geloften betaald."1) Zij wordt aangeduid als iemand, die het verbond haars Gods vergeten heeft. 2)

De eerste uitdrukking spreekt voor zich zelf duidelijk genoeg; ze laat geen andere opvatting toe dan deze, dat met nu hwn eenvoudig wordt bedoeld „de vrouw van een' ander". Maar ook de twee andere voorbeelden zijn slecht te rijmen met de onderstelling, dat hier gedacht wordt aan een' uitheemsche vrouw. We kunnen toch niet verwachten, dat een Jood, al is die ook zoo ruim van blik als de Spreukendichter, aan een' buitenlandsche vrouw in den mond zal leggen, dat ze dankoffers — 'nat — heeft te brengen,

en dat ze hare geloften — cmj — heeft betaald en evenmin, dat hij van haar zal zeggen, dat zij het verbond haars Gods — oTDNn m-o — vergeten heeft. Oort3) meent, dat dit te verklaren zou zijn uit de erkenning van een' algemeene zedewet, die gehuldigd werd door heiden en Jood. Dit drong in den naexilischen tijd steeds meer door en we kunnen het in de eerste plaats verwachten bij den Wijze, die toch meer dan profeet en priester een open oog voor het algemeen menschelijke had.

Maar deze erkenning van het algemeen menschelijke ging toch niet zoo ver, dat een Joodsch schrijver een zoo groote realiteit toekende aan vreemde godheden,

1) Spr. 7 : 14.

2) Spr. 2 :17.

') Theol. Tijdschr. 1885.

Sluiten