Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is jammer, dat Fr sich zoo tot algemeenheden heeft bepaald; te vergeefs zoekt men in zijn gansche geschrift naar eenig bewijs voor deze bewering, die hü als vaststaande waarheid telkens in anderen vorm herhaalt. Fr. heeft een algemeenen indruk ontvangen ; meer geeft ook zijn boek den lezer niet. Welken redelijken zin toch heeft het, om „die Erhabenheit der Schilderung des Wesens der göttlichen Weisheit" aan te voeren als bewijs voor de stelling, dat het Wijsheidspoëm in Spr. 8 onder Griekschen invloed zou zijn ontstaan; alsof een dergelijke grootsche gedachte alleen in Griekenland mogelijk ware. Aan zulke apologetische machtwoorden maakt. Fr. zich meer schuldig; ze vervangen bij hem gewoonlijk de plaats van een rustig historisch onderzoek *). Willen we ons door de welsprekende apologie van den schrijver niet verder laten meevoeren, dan we zelf kunnen verantwoorden, dan moeten we zijn'these nauwkeurig toetsen.

In de eerste plaats is noodig, dat we trachten het geestelijk milieu te bepalen, waarin de pericoop, Spr. 8:22 sqq. thuis behoort. Dit heeft Fr. geheel verwaarloosd; voor hem is het van zelf sprekend, dat we hier te doen hebben met een soortgelijk verschijnsel als de Alexandrijnsche en de latere Joodsche hypostasentheologie. Met de mogelijkheid, dat de „Wijsheid" in onze pericoop uit een' andere geestelijke

0 Cf. Wildeboer, Theol. Stud.

Sluiten