Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de parallele aanhaling bij Justinus Martyr lezen we juist het tegendeel:

Ocro,' Ó t'J dyu&oio xuxov xh/ijroiai dtSuni Kui TTokffiOV XQVOtvra, y.ai d\ytu daxQvotvTa.

Onze filosoof heeft er dus aanstoot aan genomen, dat de Godheid de onmiddellijke oorzaak van het kwaad en van allerlei rampen zou zyn; dit was in zijn oog Gode onwaardig. Zijn echter de ongunstige eigenschappen in stryd met de Godsidee, terwijl toch de absoluutheid van het goddelijk wezen zal gehandhaafd blijven, dan blijft geen andere uitweg over dan de hypostase. Het kwaad is geen eigenschap van de Godheid, ook niet een van haar uitgaande kracht, maar haar dienaar.

De allereerste sporen van de hypostasentheologie vinden we dus in Alexandrië bij Aristobulus. Zij vormen echter by hem nog geen integreerend bestanddeel van het filosofisch systeem, maar zijn meer toevallig naast de goddelijke dwa^is ontwikkeld. De richting echter waarin het Alexandrijnsche denken zich bewoog, bracht van zelf mee, dat deze tusschengestalten steeds meer naar het centrum getrokken werden. Toen toch langzamerhand de Godheid zoo ver verheven werd gedacht boven alle grenzen van menschelijk denken, dat ten slotte niets overbleef, dan de enkele negatie, moesten niet alleen de slechte, maar ook de goede attributen aan het goddelijk wezen worden ontzegd. Zoo worden langzamerhand alle goddelijke eigenschappen gehypostaseerd; gedacht als zelfstandige, van het

Sluiten