Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezens ingang vond. Maar deze tegenstelling van God en wereld hebben de Joden zich nooit zoo absoluut gedacht als de Hellenen. Het was bij hen geen' metaphysische, in het wezen van Godheid en Materie liggende tegenstelling; neen ze vloeide voort uit min of meer toevallige oorzaken van practisch-godsdienstigen aard. Er bestond, om het zoo uit te drukken, geen' natuurlijke, vijandschap tusschen God en de „hyle". Dit blijkt zoo duidelijk mogelijk uit het scheppingspoam van Spr. 8 : 22 sqq. Eerst veel later heeft de Alexandrijnsche filosofie invloed op de Joodsche theologie uitgeoefend; vooral bij de Targumisten is dit duidelijk merkbaar. Hier vinden we dan ook de hypostasenleer terug, die ook hier dient om de kloof te overspannen, welke men zich tusschen God en wereld heeft gedacht.x)

Nog een ander bewijs voor de stelling, dat wij in de gepersonificeerde Wijsheid niet te doen hebben met een Joodsch-Alexandrijnsch theologoumenon, ligt dunkt mij in den vorm, waarin deze Wijsheidsgedachte is ingekleed. De bedoelde pericoop wil op mij maar niet den indruk maken van een' soort wijsgeerige verhandeling, ook al neem ik aan, dat het primitieve denken nog rustte in de zwachtels der fantasie. De eigenlijke hypostasen steken wel zeer kaal af bij de fantastische schildering der „Wijsheid", zooals we die in het Spreukenboek vinden. Terwijl de eersten vol-

') Cf. Gfrörer. Das Jahrhundert des Heils, lste Abth. S. 272 sqq.

Sluiten