Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der rechtvaardige vergelding, 't welk het eigenlijk motief geweest is tot het schrijven van het Joodsche drama, dat in het boek Job voor ons ligt. Het spreekt van zelf, dat Friedlander, die meent, dat het vergeldingsprobleem pas bij de Joden actueel kon worden na hunne kennismaking met Grieksche denkers en dichters, het boek Job moet beschouwen als een Hellenistisch geschrift bij uitnemendheid; maar wie erkent, dat het geestelijk leven der Joden, ten gevolge van eigen innerlijke ontwikkeling deze crisis moest door maken, voor hem valt de gevolgtrekking van Fr. weg.

Wat verder betreft de gepersonificeerde Wijsheid1), of we hier al dan niet te denken hebben aan den invloed van de Alexandrijnsche filosofie, daarover zie men, wat boven is gezegd.

Nadere toelichting vereischt de vraag, of hetonsterfelijkheidsgeloof, waarvan in het boek Job2) sprake is, uit Griekschen invloed moet worden verklaard. Ik geloof, dat er wel niemand meer zal gevonden worden, behalve Friedlander, die er nog aan denkt, het Joodsche onsterfelijkheidsgeloof uit het Grieksche af te leiden. Dat we hier te doen hebben met geheel verschillende gedachtensferen, blijkt terstond, wanneer we te dien aanzien vergelijken het Alexandrijnsche geschrift Ps. Salomo en het Joodsche boek Daniël. Bij de Hellenistische Joden wordt, evenals bij de Grieken, het onsterfelijkheidsgeloof beheerscht door de antithese van geest

i) (:f. Job 28.

») Job 19:24, ssq.

Sluiten