Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaan te verzekeren. Vooreerst leverde het wild hem voedsel, eene conditio sine qua non bij de nog maar in opkomst zijnde veeteelt en het geheel ontbreken van landbouw in engeren zin. Bovendien kleedde de mensch zich met de huiden der door hem gedoode dieren, bij de toenmaals nog geringe middelen van verwarming evenzeer een niet te miskennen voordeel. En in de derde plaats, naast deze tastbare gunstige zijden, had de jacht ook eene bijzondere, het lichaam stalende werking. De jacht leerde den Ouden behendigheid, moed, slimheid en speurzin, zij ontwikkelde hunne krachtin den strijd met de wilde dieren, die niet gering te schatten bewoners der oerwouden en moerassen van Germanië. Was het wonder, dat de Ouden dan ook de jacht vereerden als „des ernsten Kriegsgottes lustige Bi aut" ? Zij vormde voor hen de beste voorbereiding voor de onophoudelijke oorlogen, die de Germaansche stammen met elkaar hadden te voeren'). En juist dit laatste voordeel, de invloed op de mannelijke kracht en daarmede tevens op de schoonheid van het mannelijke lichaam, moest zoowel de ruwe Germaansche stammen als de fijn ontwikkelde Grieken en Romeinen bekoren. In hunne mythologie bezingen zij dan ook reeds den lof hunner groote jagers Acastus, Actaeon, Adonis, Aeneas en Dido, Atalanta en zoovele anderen.

Bij toeneming van de bevolking moest ten slotte, ook al was de streek, waar het jagersvolk huisde, rijk aan wild, overgegaan worden tot eene meer intensieve cultuur en daarmede daalt de jacht, die oorspronkelijk eene bezigheid was, voor allen noodzakelijk om in hun levensonderhoud te voorzien, tot eene, zij het in den beginne ook nog noodzakelijke, aanvulling van wat langs anderen weg aan voedsel werd verkregen. Ook dan nog staat de jacht onverdeeld in

1) Verg. Gr. Mohr, Tractatus de jure venandi, aur.upandi et piscandi. Pars secunda. Cap. XII sub 3 in Fritschins, Corpus Juris venatorio-forestalis, romano-germanici tripartitum (1702), bl. 107.

Sluiten