Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoog aanzien en de middeleeuwsche schrijvers geraken niet uitgeput, om de voordeelen van het jachtbedrijf, in het bijzonder met het oog op de lichaamsoefening, hemelhoog te verheffen, „quod est utilis ad multa et praecipue ad exercitium corporis" !). De jacht was en bleef de uitspanning, waardoor „corpus robustius, et anima fortior efficitur, in qua bellica omnia exercentur, nam et in ea equitare et currere, et atroces feras excipere, et aestum frigusque perferre, saepe famem pati necesse est"2).

Daarom moest ook volgens hen liet object van de jacht, het wild worden beschermd en deze gevolgtrekking is volmaakt logisch: de jacht is volgens de middeleeuwsche schrijvers, evenals volgens die uit de oudheid, nuttig en noodig, welnu, dan moet het wild ook worden beschermd tegen uitroeiing „nam ferae, volucres et pisces non solum ornamento sunt et decori Reipublicae, verum et necessitati serviunt, ob idque non est vulgi temeritati venatio committenda, sed debet ordine ac lege fieri, ne dispereat" 3).

Bij den tegenwoordigen stand der cultuur treden de voordeelen van de jacht en van den wildstand minder scherp op den voorgrond en daarvan is het onvermijdelijke gevolg, dat de nadeelen, die bij intensieve cultuur uiteraard veel sterker aan het licht treden, met eene dubbele maat gemeten worden. Evenals in zoovele andere gevallen is het ook hier „ce qu'on voit et ce qu'on ne voit pas." „Ce qu'on voit," is de wildschade.

Het spreekt voor zichzelf, dat de schade, door wild aan veld- en houtgewas toegebracht, een des te grooteren omvang aanneemt, naarmate eene meer intensieve cultuur wordt toegepast. Indien en waar de cultuur intensiever wordt,

1) S. M e d i c e s, Tractatus de venatione, piscatione et aucunio (1588), bi. 91.

2) Medices, t. a. p. bl. 94.

3) Moliï, t. a. p. Pars prima. Cap. II sub 23 en 27.

Sluiten