Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dringen zich de klachten over wildschade met meer kracht op den voorgrond. Vooral de kleine pers, wier vrij stereotype wildschade-artikelen langzamerhand eene mer a boire worden, laat niet af te hameren op hetzelfde aambeeld, dat bij den tegenwoordigen stand der jachtwetgevingen, onverschillig op welke basis zij opgetrokken zijn, het wild wordt beschermd tot nadeel van de maatschappij en ten koste van den landman, die wel den wildfcoww, maar niet den wildoo^stf heeft.

Ook bij vele wetenschappelijke schrijvers vindt deze meening ingang. De jacht is vaak eene passie genoemd, en zeker is het, dat nooit meer dan bij een jachtdebat de hartstochten ontketend worden, en dat het velen, overigens hoogst bezadigden menschen, uiterst moeilijk valt, daarbij hunne objectiviteit te bewaren. Vooral in de laatste tientallen van jaren vindt de wildstand in de oogen van velen geene genade en, blind van de groote voordeelen der jacht — waarover later —, sturen zij met eene onmiskenbare vooringenomenheid, met een gloed en een ijver, eene betere zaakwaardig, aan op eene volledige uitroeiing van den wildstand: het wild sticht volgens hen nu eenmaal in het geheel geen nut en louter kwaad '). Slechts weinigen zijn er onder hen, die, als Rosclier, hoewel overtuigd van de nadeelen, verbonden aan het behoud van een wildstand, toch met het oog op de veelzijdigheid van het vraagstuk, zich niet aan een positieven banvloek wagen, en hunne conclusie zoo samenvatten, dat het zeer de vraag is, of

1) J. J. Reinhard, Vermischte Schriften, tweede druk, bl. 427 vlg. komt tot de conclusie, dat het wild schadelijk is voor landbouw en houtteelt. Toch kan en moet volgens hem de jacht en de wildstand behouden blijven met het oog op de immaterieele voordeelen — Lorey, Monographie „Jagd" in Handbuch der politischen Oekonomie, herausgegeben von Dr. G. von Schönberg, tweede deel, (Erster Halbband) 1896 noemt dit den „indirekten Wert" van de jacht —, mits men daarbij „eine gewisse Ordnung beobachte", bl. '129. Verg. Manvil Ion, Physiocratische Briefe (1780), bl. G4.

Sluiten