Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meeste andere soorten van klein wild komt Japing, en eveneens Lorey'), tot de slotsom, dat zij ongetwijfeld aan den landbouw eenige schade berokkenen, maar dat daaruit nu nog niet dadelijk mag worden afgeleid, dat het wild volstrekt schadelijk is, en dat niet bij eene doelmatige wetgeving de belangen van den landbouwer en van den jager te verzoenen zijn. Nog scherper en positiever drukt Krafft zich uit: „Uebrigens ist gute Landwirtschaft fast überall mit guter, ergiebiger Feldjagd verblinden; von einem irgendwie erheblichen Schaden kann also aus der Niederjagd nicht die Rede sein" *).

Daar ik in zoölogische en practische landbouw-vraagstukken niet tot oordeelen bevoegd ben, heb ik ten aanzien van het zoo bij uitstek kiesche en reeds van zoovele zijden met vuur en overtuiging behandelde wildschade-vraagstuk mijn licht ontstoken, zoowel bij landbouw-autoriteiten als bij jagers. Mij trof het toen, dat in werkelijkheid de denkbeelden van de landbouwers en van de jagers over den wildstand niet zoo onverzoenlijk zijn als het vaak wordt voorgesteld. Allen, ook de jachtliefhebbers, waren het er over eens, dat het onloochenbaar is, dat het wild in zijne algemeenheid schade toebrengt, maar, en ook daaromtrent bestond volmaakte eenstemmigheid, niet alle wildsoorten in dezelfde mate. Terwijl konijnen, fazanten en grof wild, maar vooral de eerste, zeer veel schade aan landbouwproducten toebrengen, is die

kunde Deutschlands, herausgegeben im Auftrage des deutschen Verbandes für das kauftniinnische Unterrichtswesen (1902), deel 2, bl. 204 en 205.

1) L o r e y, t. a. p. bl. 356 en 357 noemt de snippen en de meeste watervogels volstrekt onschadelijk en rekent de patrijzen, mits niet in te grooten getale aanwezig, zelfs tot de nuttige, insecten-verdelgende vogels.

2) Dr. Guido Krafft, Illustriertes Landwirtschafts-Lexikon (1884), voce Jagdgesetze, bl. 498. Verg. Mittermayer, Grundziige des deutschen Privatrechts, deel 2, bl. 276.

Sluiten