Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij gerekend, bij de jacht in Oostenrijk een jaarlijksch volksinkomen van 17 millioen mark betrokken is.

Een ander gunstig gevolg, dat de jacht met zich brengt — in de vergadering van de Tweede Kamer van 7 Maart 1902 werd hierop reeds met nadruk door Mr. Tydeman gewezen — is gelegen in de vaak buitengewoon hooge sommen, die bij verpachting der jacht worden gemaakt. De hoogte van de jachtpacht is in de eerste plaats afhankelijk van de concurrentie onder de jachtliefhebbers en eerst in de tweede plaats van de hoeveelheid wild, hoewel deze laatste factor in streken, waar weinig concurrentie onder de jachtliefhebbers is, een beslissend karakter kan aannemen. Deze jachtpachtsommen zijn vooral in de laatste jaren zeer gestegen en bereiken in ons land meermalen eene hoogte van 15 tot 20 gulden1), ja, de Minister van Justitie, Ruys van Beerenbroek deelde in 1891 zelfs mede8) dat hem een geval bekend was, dat eene jacht verpacht was tegen f 45 per H.A. Een gevolg van deze hooge jachtpachtsommen is eene niet onaanzienlijke vermeerdering van de waarde van den grond 3).

Doch niet alleen de geldelijke voordeelen — wat Lorey noemt den „direkten Wert" — van de jacht mogen in rekening gebracht worden, waar de balans van de voor- en nadeelen van de jacht wordt opgemaakt. De gunstige werking, die de jacht heeft voor het lichaam, wat den Ouden reeds zoo in haar aanlokte, is den jager in zijn verdere^loopbaan ongetwijfeld van veel nut. Tot dezen „indirekten Wert" rekent Lorey „Einlluss auf körperliche Gesundheit und geistige Frische namentlich solcher Personen, welche durch ihren Beruf ans Zimmer gefesselt sind, die Scharfung der Sinne

1) Handelingen der Tweede Kamer 1901 —1902. bl. 986.

2) Hijlageu 1890—1891, No. 189, bl. 1 vlg.

3) Verg. W. M. van Weede, Iets over de bescherming van

den wildstand, in l)e Economist 1902, bl. 770—772.

Sluiten