Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de ondubbelzinnige en onweersproken woorden van den voorzitter der commissie van rapporteurs uit de Cortes Alonso Castrillo in de vergadering van 10 Maart 1902 „la Comisión, que desea que se fomente la caza y que esa riqueza püblica no se disminuya de ninguna suerte" en later „pretende seguramente la guarda, fomento y custodia de la caza." De bedoeling was dus zoo duidelijk mogelijk het tegengaan van het uitroeien van den wildstand om de groote economische beteekenis, die het wild als handelsartikel had erlangd, ook in het aan wild zoo arme koninkrijk. En nog te meer trachtte de Spaansche wetgever de jacht te bevorderen, omdat het land zich dooi' de natuur en de gesteldheid van den bodem zoo bij uitstek leent tot het kweeken van een wildstand.

De Spaansche jachtwet van 16 Mei 1902 kent in haar artikel 8 het jachtrecht toe aan ieder persoon boven de vijftien jaar — hierin wijkt de vigeerende wet af van de vroegere, die geene leeftijdsgrens stelde —, voorzien van de noodige acten. Volgens artikel 9 kan dit jachtrecht worden uitgeoefend op de gronden van de publiekrechtelijke lichamen en bovendien op de gronden, toebehoorende aan privaatpersonen, waarvan de eigenaren niet met inachtneming van de bij de wet gestelde voorwaarden de jacht hebben verboden („que no estén vedados"). De voorwaarden, waaraan de privatieve jachten volgens dit artikel moeten voldoen, zijn opgenomen in de „ley de acotamientos"'). In artikel 1 van dit decreet — het eenige artikel, dat spreekt over de voorwaarden, waaronder de afsluitingen van gronden moeten plaats vinden, — wordt aan de private grondeigenaren de bevoegdheid gegeven hunne gronden af te sluiten, zonder dat de daarop rustende erfdienstbaarheden daardoor worden aangetast; ook de openbare wegen, die

1) Decreto de las Cortes generales y extraordinarias de 8 de Junio de 1813 relativo al fomento de la agricultnra y ganaderia, restablecido por Real decreto de 6 de Septiembre de 1836.

Sluiten