Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontmoeten wij sporen van dit stelsel van jachtgerechtigdheid, maar de tijd van zijn ontstaan is onzeker.

Het oudste jachtrecht onzer voorvaderen ligt in het duister en geene gegevens of berichten doen ons den aard van dat recht kennen. Toch hebben wij één aanknoopingspunt en wel in het bestaan van stam-eigendom. De individueele eigendom ontbrak in den beginne volgens de berichten van Caesar bij de Germanen geheel. De gevolgen daarvan liggen voor de hand: ieder stamgenoot was op de onroerende goederen van den stam tot jagen gerechtigd en deze vormden te zamen een publiek jachtveld. Met de zeden en gewoonten dier oude stammen was dat publieke jachtveld in volkomen overeenstemming. Geheel Germanië was toen bedekt met groote bosschen en moerassen, waarin de krachtige bewoners uren ver de jacht konden uitoefenen op dieren, waarmede zij hun moed, kracht en behendigheid konden meten. En dat de oude Germanen van de jacht veel gebruik gemaakt hebben, mogen wij op gezag van Caesar aannemen, die hen immers in hun handel en wandel zag en de Germaansche landen en wouden door trok. „Vita omnis" zegt Caesar „in venationibus atque in studiis rei militaris consistit; ab parvulis labori ac duritiae student" *). Krijg en jacht, dat waren de lievelingsbezigheden der Germanen.

Wanneer de stam-eigendom vervangen is door bijzondere (gezins)eigendom is vrijwel onzeker. Het ligt in den aard der zaak, dat een bepaald tijdstip daarvoor niet is aan te geven, daar immers ongetwijfeld eene geheele ontwikkelingsperiode hiervoor noodig is geweest. Het eenige, dat wij met eenige zekerheid mogen aannemen, is, dat die overgang naar den bijzonderen eigendom verband houdt met het toenemen van den landbouw onder de Germanen. Toen de stammen te groot werden, om zich alleen met de vruchten

1) De bello Gallico, Lib. VI, c. 21.

3

Sluiten