Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van veeteelt en jacht te voeden, daar dit te groote uitgestrektheden grond eischte, moest men zich wel wenden tot eene intensievere cultuur, eene cultuur, die op een kleiner gebied eene grootere opbrengst aan levensbenoodigdheden bracht: de landbouw. Toen de Germanen eenmaal op voorbeeld van de Romeinsche kolonies den landbouw waren gaan beoefenen, was de overgang tot den bijzonderen eigendom slechts eene quaestie van tijd geworden. Niets kweekt meer de liefde aan voor den grond, dien men bewoont, dan de landbouw; op en door dien grond toch voorziet de landbouwer in zijne noodzakelijkste levensbehoeften. Juist daarom wil hij dien grond verbeteren en meer vruchtdragend maken en dit kan hij alleen met goed gevolg doen, indien hij zeker is, dat de vruchten van die verbetering ook hem geheel ten goede komen. Indien de gronden jaarlijks onder de leden van den stam verdeeld worden, ontbreekt ieder motief voor den bebouwer, om verbeteringen op den grond aan te brengen. In den beginne moge het gemeenschapsgevoel in den stam daaraan hebben kunnen tegemoet komen, op den duur werd deze toestand bij toeneming der beschaving onhoudbaar en was de gezinseigendom de logische consequentie van de eenmaal aangevangen ontwikkeling.

Reeds in de Germania van T a c i t u s ') wordt vermeld, dat bij de Germanen bijzondere eigendom bestond, althans van het huis en het onmiddellijk daaraan grenzende erf. Waar alle overige gronden dus nog in stam-eigendom bleven, is het stadium der ontwikkeling, dat Tacitus beschrijft, voor de geschiedenis van het jachtrecht van geene beteekenisen bleef het publieke jachtveld ook in zijn tijd het algemeen heerschende stelsel. Zeker is het evenwel, dat in den tijd der volksrechten, der leges barbarorum, de bijzondere eigendom reeds vrij algemeen ingang had gevonden. De daar-

1) Grerm. 16.

Sluiten