Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor door den Leidschen hoogleeraar Mr. Fockema Andreae in zijn standaardwerk ,,Het Oud-Nederlandsch Burgerlijk Rech t," uit de lex Salica (+ 500) aangevoerde gronden zijn te dezen aanzien beslissend.

Wat was het karakter van de rechtsverhouding tusschen liet gezin en den grond? Eene juiste teekening van die verhouding zoekt men in de leges barbarorum te vergeefs. Toch ligt zij voor de hand en behoeven wij daaromtrent niet in het duister te verkeeren. Op den voorgrond moet gesteld worden, dat men hier te doen heeft, niet met een zoo fijn besnaard en gedetailleerd recht als dat der Romeinen, maar met een recht in zijne kindsheid, een recht nog in de windselen, gemaakt door ruwe Germanen, voor wie oorlog voeren en andere ruwe spelen en bedrijven het hoogste goed waren en die van den akker of van de jacht op wolf en everzwijn teruggekeerd, samenkwamen in de volksvergadering, om daar de normen voor hunne onderlinge rechtsverhoudingen vast te stellen. Aan een zoo uitgewerkt eigendomsrecht als het hedendaagsche mag daarom geenszins gedacht worden. De verhouding tusschen het gezin en den grond ontstond met het oog op de landbouwbelangen en die belangen zullen ongetwijfeld voor die verhouding beslissend zijn geweest.

Ten aanzien van het onderwerp, dat ons thans bezig houdt, laten de oude volksrechten echter geene plaats voor onzekerheid over. In het algemeen spreken deze rechten zeer weinig over de jacht, maar, waar zij haar regelen, kennen zij den grondeigenaar het jachtrecht toe. Het sterkst sprekend geschiedt dit in lex Salica 33, \: „Si quis de diversis venationibus furtum fecerit et celaverit," heet het daar, „praeter capitale et dilaturam MDCCC dinarios qui faciunt solidos XLV culpabilis judicetur. Quam legem de venationibus et piscationibus observare convenit"'). Deze plaats

1) H. Geffcken, Lex Salica zmn akaderaischen Grebrauche herausgegeben und erliiutert, bl. 31.

Sluiten