Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft reeds tot zeer veel verschil van gevoelen aanleiding gegeven en het woord, dat tot zooveel verschillende uitleggingen heeft geleid, is het begrip „furtum". Voor de romaniseerende juristen was het natuurlijk een onoverkomelijk bezwaar een furtum te erkennen van res nullius en zij waren daarom wel gedwongen te zoeken naar een uitweg, die althans het furtum in zijne romeinsch-rechtelijke beteekenis ongeschonden bewaarde, hoe gedrongen en op niets steunend hunne uitlegging daardoor overigens ook werd. Zoo zoekt Geffcken') het redmiddel in eene beperking van de gewone beteekenis van het begrip „venatio". Het woord venatio kan beteekenen de jacht zelf, maar ook het object der jacht, het wild. Ten einde nu zijn furtum-begrip te redden, verklaart Geffcken het woord venatio als omvattende dieren, die reeds gedood zijn of door den jager achtervolgd worden, benevens de tot jacht-doeleinden afgerichte dieren bv. valken, havik^en, luipaarden enz. Gronden voor deze uitlegging, behalve het streven om zijn furtum-begrip te redden, geeft hij evenwel niet aan en de beperking lijkt mij dan ook onjuist, te meer, waar wij de plaats in quaestie uit de lex Salica vergelijken met den overeenkomstigen tekst van de lex Ripuaria. Met bijna gelijkluidende woorden wordt hier hetzelfde verbod uitgevaardigd, maar als toelichting van den norm en zijne straf worden daaraan toegevoegd de woorden „Quia non hic re possessa sed de venationibus agitur." Geene „res possessa" dus, een zaak, die nog niet door occupatio in den eigendom is overgegaan, maar, en daarmede ligt de geheele uitlegging van Geffcken omver, eene venatio, eene res nullius. De vrij zware, bedreigde geldboete zou ook geene reden van bestaan hebben gehad ten aanzien van een stuk gedood wild, maar wel als inbreuk op een zoo hoog staand recht als het jachtrecht bij de Germanen ongetwijfeld is geweest.

1) Lex Salica, t. a. p. bl. 148.

Sluiten