Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een furtum dus van res nullius, geen quasi-furtum, een „Abart des Furtum," zooals von Briinneck') het noemt, maar een zuiver furtum, zooals de Germanen het opvatten. Ook uit latere plaatsen blijkt, zooals wij uit het vervolg zullen zien, zoo helder als de dag, dat men ten aanzien van wild een furtum erkende. Men kende een uitgebreider begrip van furtum dan in onze dagen. De fout, waarin von Brünneck, Geffcken e. a. vervallen is dan ook hierin gelegen, dat zij bij het schrijven hunner rechtsgeschiedenis de vroeger geldende begrippen niet overnemen, maar alles trachten te wringen in het kader van onzen tijd. Zij krijgen daardoor een gebouw, dat door eenheid in conceptie misschien aantrekt, maar tevens een gebouw, dat zich kenmerkt door het aanklevende onreëele, het onwezenlijke.

Op de gronden in privaat-eigendom was dus de grondeigenaar de eenige tot de jacht gerechtigde. De meeste gronden bleven echter, althans in den eersten tijd, in gemeenen eigendom van de gezamenlijke markgenooten. Als uitvloeisel van hun eigendomsrecht hadden de genooten op den markegrond de gebruiksrechten, houthakken, weiderecht enz. en als zoodanig hadden zij ook het jachtrecht op dien grond.

Uit de weinige plaatsen der leges barbarorum, die het jachtrecht tot voorwerp harer regeling maken, mag worden afgeleid, dat, althans in den regel, de eigenaar van den grond de eenige tot de jacht op dien grond gerechtigde was. Men heeft wel het tegendeel beweerd en gemeend, dat, althans in het gebied, waar de Saksenspiegel van Eyke von Repgow gold, nog eeuwen later het jachtrecht niet een uitvloeisel van den grondeigendom was, maar dat het publieke jachtveld in die dagen nog steeds bestond. Men beriep zich daartoe op de woorden van den Saksen-

1) Monographie „Jagdrecht" in het Handwörterbnch der Staatswissenschafteii van Conrad, Elster, Lexis en Loening, bl. 1305.

Sluiten