Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oorspronkelijk kwam het recht om foresten te maken niemand anders toe dan den koning. Het schijnt evenwel, dat reeds spoedig de leenmannen zich dat recht hebben toegeeigend. Toen in 812 de groote keizer het hoofd neerlegde, begon onder zijne opvolgers de verzwakking van het reusachtige rijk en van de vorstelijke macht, die Karei tot eene zoo groote hoogte had opgevoerd. De groote leenmannen begonnen zich hoe langer hoe meer te roeren en het sclnjnt, dat zij al spoedig hebben getracht zich meester te maken ook van het recht van forestatie. Reeds onder Lodewijk den Vromen moest het Capitulare Missorum van 819 bepalen „ne ullam forestam noviter instituant" en, waar de missi op hunne reizen zouden bevinden, dat, ondanks het gebod, toch nieuwe foresten door de leenmannen opgericht waren, „dimittere praecipiant" '). Geene andere foresten zouden de leenmannen mogen bezitten dan die zij van den keizer hadden verkregen of waarvan zij konden bewijzen „quod per jussionem sive permissionem domni Karoli genitoris nostri eas instituisset" 2). De verbrokkeling van het Frankenrijk was evenwel niet meer te stuiten, het reuzenrijk neigde ten ondergang en steeds meer macht eigenden zich de landsheeren toe ten koste van den zieltogenden kolossus. Zoo ook het forestatierecht, het recht van banwoud. Erkend werden deze landsheerlijke rechten het eerst door den verlichten en vèrzienden heerscher, keizer Fr ede rik II.

De tijd, die verloopt tusschen omstreeks 1400 en de groote omwenteling, kenmerkt zich in de meeste streken van WestEuropa door eene algeheele vervorming van het jachtrecht. De band tusschen grondeigendom en jachtrecht, die gedurende zoovele eeuwen was bewaard gebleven, werd steeds losser en ten slotte was zij zelfs geheel verdwenen: de heer-

1) Art. 22. Boretius, t. a. p. I, bl. 291.

2) Boretius, t. a. p. I, bl. 288.

Sluiten