Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook door een ander voorschrift heeft de Deensche wetgever getoond den door hem tusschen grondeigendom en jachtrecht geslagen band zoo streng mogelijk te willen doorvoeren, en wel, door de bepaling, die ook in verschillende andere staten voorkomt, dat het jachtrecht in de toekomst niet meer blijvend, als zakelijk recht, van het eigendomsrechtop den grond mag worden afgescheiden. Ja, zoo bevreesd was de Deensche wetgever voor een zelfs indirect herleven van zakelijke jachtrechten op gronden van derden, dat hij ook dit trachtte te voorkomen, door te bepalen, dat de grondeigenaar zijn jachtrecht niet langer dan voor een bepaalden tijd kan overdragen. In § 4 van het ontwerp van wet, zooals het oorspronkelijk bij brief van 6 October 1893 dooiden Minister van Binnenlandsche Zaken Ingerslev aan het Folketing werd aangeboden1), was deze termijn bepaald op „et vist Aaremaal, dog ikke over 15 Aar ad Gangen". Niet tegen het feit van de vaststelling van een maximum-duur voor de overdracht van het jachtrecht in het algemeen, maar tegen den termijn, zooals die door de Regeering in het ontwerp voorgesteld werd, meende de Commissie van Rapporteurs („Udvalg") uit het Folketing in haar rapport van 17 Februari 1894 evenwel op te moeten komen s). Zij gaf daarom in overweging, dat de eigenaar van den grond zijn jachtrecht voor niet langeren tijd zou kunnen overdragen dan voor den tijd van zijn bezit of voor een maximum-duur van vijf jaar. Met verandering alleen van de voorgestelde vijf in tien jaar, werd ten slotte de bepaling in het Landsting op 30 April 18943) aangenomen, nadat in de vergadering van het Folketing van 20 Februari 18944) het nut van eene beperking van den duur der overdracht van het jachtrecht

1) Ordentl. Samling 1893. Tillaeg A. 145—146, bl. 2311 vlg.

2) Ordentl. Samling 1893—'94. Tillaeg B 62—63 bl. 991 vlg.

3) Ordentl. Samling 1893—'94. Tillaeg C 90 bl. 1431 en 1432,

4) Folketingets Forhandlinger 213 bl. 3394.

Sluiten