Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op overtuigende gronden was verdedigd door den afgevaardigde Scaverius. „Det er nendig meget god Raison i, at en Mand kan tage Bestemmelse for sig selv, saa laenge han ejer en Ejendom. Naar for Eks. jeg og en anden Mand 0nske at blive enige om, at jeg skal leje hans Jagt paa hans Besiddelsestid, hvorfor skal saa Loven kunne hindre os deri? Derimod finder jeg det korrekt at en Mands Rettigheder in saa Henseende ere begraensede over for en eventuel Efterf0lger, om han skulde saelge sin Ejendom."

De fjorden en baaien worden, voorzoover zij niet privaat eigendom zijn of het jachtrecht daarop reeds van oudsher toekomt aan de eigenaren der aangrenzende gronden, behandeld als publiek jachtveld. Ieder Deen, die eene persoonlijke qualilicatie bezit, is daarop tot de jacht gerechtigd (§ 1 lid 5).

Nu in Denemarken de feudale toestanden, die er in de 17Je en 18de eeuw bij de toen bestaande absolute vorstenmacht hoogtij vierden, afgeschaft zijn, gelijkt de jachtwetgeving er in menig opzicht op die in Noorwegen, waar nooit heerlijke jachtrechten hebben bestaan en het jachtrecht van de oudste tijden af aan tot den huidigen dag toe inhaerent aan den grondeigendom is geweest.

Artikel l van de thans in werking zijnde jachtwet van '20 Mei 1899 ») trekt de regeling van het jachtrecht op dezen grondslag op: „er Grundeieren eneberettiget til at Jagt og Fangst paa sin Eiendom" '), en in de toelichting werd de band tusschen grondeigendom en jachtrecht zoo mogelijk nog scherper neergelegd. „Det er da Meningen, at denne Grundeierens Eneret skal omfatte Retten til at jage, fange eller paa hvilkensomhelst Maade at faelde eller nedlaegge de vilde Dyr, som if0lge sin Art i Almindelighed ansees for at kunne vaere Gjenstand for Jagt og Fangst" ').

1) Lov om Jagt og Fangst. 20 Mai 1899.

2) Verg. Ole Lie, Lov om Jagt og Fangst (1906), bl. 3.

Sluiten