Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenals de Deensche wetgever bleek ook de Noorsche bevreesd voor het ontstaan van blijvende, niet door den tijd beperkte zakelijke jachtrechten op gronden van derden. In § 2 geeft hij aan die vrees uiting door te bepalen, dat het jachtrecht niet „for bestandig" van den grondeigendom kan gescheiden worden. Nu zou evenwel dit verbod door eene eeuwigdurende of althans zeer langdurige verpachting kunnen ontdoken worden. Ook daaraan heeft de Noorsche wetgever gedacht en met het oog daarop heeft hijdejachtverpachtingen aan een bepaalden maximum-duur gebonden: in haar § 2 lid 2 staat de wet van 1899geene jachtverpachting noch eenige andere afscheiding van het jachtrecht van den grondeigendom toe voor langer dan tien jaar, behalve, indien het jachtrecht den vruchtgebruiker toekomt. Evenzeer als de Deensche wetgever bleek dus ook de Noorsche overtuigd van de deugdelijkheid van het stelsel van jachtgerechtigdheid, dat hij als ondergrond voor de regeling van het jachtrecht had aangenomen en trachtte ook hij een — zij het ook zijdelings — falen van dit stelsel zooveel mogelijk te voorkomen.

Het jachtrecht op de gronden, toebehoorerule aan publieken privaatrechtelijke corporaties, is in de Noorsche jachtwet aan bijzondere regelen onderworpen, zonder dat daarbij evenwel inbreuk wordt gemaakt op den band tusschen grondeigendom en jachtrecht, die het algemeene grondbeginsel van de Noorsche jachtwetgeving vormt: het bestuur der corporatie heeft het beschikkingsrecht over de jacht op die gronden. (§ 3).

Ook in Noorwegen is een stuk van het territoir gemaakt tot publiek jachtveld: op de staatsgoederen in Finmarken is de jacht voor ieder Noorsch staatsburger vrij, mits hij voorzien zij van eene persoonlijke qualificatie (§ 8 lid 2).

In Zweden erkent het reglement op de jacht van 21 October d864 ') eveneens als fundamenteel beginsel het jacht-

1) Swensk Författnings Samling 1861. N". (38.

Sluiten