Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grondwet, dat aan eene invoering van het complexenstelsel in den weg staat. De lijn, waarlangs de jachtwetgever zich moet bewegen, is daardoor in Oldenburg reeds van te voren afgebakend. Dat de wetgever van 1897') dan ook bij zijne jachtrechts-regeling de grondwetsbepaling voor oogen heeft gehad, volgt wel het duidelijkst uit de woorden, waarmede de regeering artikel 1 van het bij brief van 4 November 18902) ingediende wetsontwerp toelichtte. „Unberührt," zoo heet het in die toelichting, „bleiben insbesondere die Bestimmungen des Staatsgrundgesetzes, wonacli Jedem das Jagdrecht auf eigenem Grund und Boden zusteht. Nach dem Entwurf darf olme die Erlaubniss des Eigenthümers Niemand auf fremdem Grund und Boden die Jagd ausüben. Es hangt lediglich von dem Ermessen des Eigenthümers ab, ob er gestatten will, dass auf seinem Grund und Boden ein Dritter die Jagd ausïibe."

Het stelsel van jachtgerechtigdheid, zooals het in het oorspronkelijke ontwerp van wet was neergelegd, kwam geheel overeen met dat der vroegere jachtwet van 31 Maart 1870. In den loop der openbare beraadslagingen onderging liet ontwerp op dit punt echter eene verandering, die, naar het oordeel van velen, niet zonder bedenking was, daar het volgens hen niets meer of minder inhield dan grondwetsschennis. Reeds bij de tweede lezing van het wetsontwerp in den Verwaltungsausschuss van den Landtag stelde de afgevaardigde Quatmann3) voor, achter de eerste zinsnede van artikel 1, waarin de band tusschen grondeigendom en jachtrecht was neergelegd, eene nieuwe zinsnede in te voegen, luidende: „Jeder Eigenthümer kann, wenr. er

1) Gesetz für das Herzogthuin Oldenburg, betreffend die Ausübung der Jagd. 17 April 1897. — Gesetzblatt für das Herzogthnm Oldenburg. XXXI Band, 38. Stück. No. 75.

2) Anlage 43 en Nebenanlage zu Anlage 43 bl. 461 vlg.

3) Anlage 182 bl. 905 en 906.

Sluiten