Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatstgenoemde eigenaar schade leed van het wild en er machteloos tegenover zou staan, omdat hij wel rechtens, maar niet feitelijk het jachtrecht heeft. „Man könne ihm auch nicht entgegenhalten, die Witwe könne die Jagd ja verpachten. Dazu dürfe man sie doch nicht treiben. Auch dürfe man ihn nicht auf das Auskunftsmittel, sie könne ja Berechtigungsscheine ausstellen, verweisen. Der Grundbesitz sei schon genügend belastet, und es sei nicht gerechtfertigt, ihn auf diese Weise noch mit einer Steuer zu belegen."

Zijn voorstel sloot zich bovendien, volgens hem, aan bij den toestand, zooals die vóór 1848 bestond. Vóór dat jaar toch was het jachtrecht een „familiares Recht", zoodat niet alleen de jachtgerechtigde, maar ook zijne familie het recht had om de jacht uit te oefenen. In 1848, bij het tot stand komen van de grondwet, was dit recht op den grondeigenaar, met uitsluiting van ieder ander overgegaan: van een familierecht was het een individueel recht geworden.

En in de derde plaats bestreed hij de opvatting, dat zijn voorstel in strijd zou zijn met de grondwet: „Der Zweck der Bestimmung des Staatsgrundgesetzes sei doch, dass jeder Grundbesitzer auf seinem Boden jagdberechtigt sein solle; dazu gehore aber vor allen Dingen, dass er in den Stand gesetzt werde, die Jagd auch auszuüben, im Interesse der Siciierheit seines Eigenthumes. Wenn nun der Eigenthümer selbst aus irgend einem Grunde nicht in der Lage sei, von der Ausübung der Jagd Gebrauch zu machen, so werde dieser Zweck nicht erreicht."

De meerderheid in den Landtag bleek het gevoelen van den voorsteller te deelen en bij tweede lezing werd het amendement dan ook ongewijzigd aangenomen ')• De toestand in Oldenburg is daarmede nu dus zoo, dat het jachtrecht toebehoort aan den eigenaar van den grond, maar dat deze een

1) Bericht t. a. p. bl. 238.

Sluiten