Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is in die wetten evenwel meer schijn dan werkelijkheid. Immers — en daarin ligt het merg van het geheele jachtcumplexen-systeem, de spil, waarum het geheele stelsel draait, — om veiligheidspolitiaire en economische redenen, „aus Grimden der öflentlichen Sicherheit und des gemeinen Wohls" ') wordt het jachtrecht, het droit de chasse, zooals de Franschen het noemen, gescheiden van het recht tot uitoefening der jacht, het droit de chasser *). Aan iederen grondeigenaar, ook van het kleinste stukje grond, kennen de wetten, die het jachtcomplexen-stelsel huldigen, het jachtrecht toe; maar het recht tot uitoefening der jacht behoort niet aan iederen eigenaar van een perceel, hoe klein ook, „im Interesse der Gesammtheit, insbesondere auch im Interesse einer angemessenen Verwerthung des Jagdrechts der kleineren Besitzer," zooals het in de toelichting op de thans in Hamburg vigeerende jachtwet3) heet.

Het behoeft geen nader betoog, dat bij deze regeling van

landen eerst herleefd in het stormjaar 1848, toen door het Duitsche parlement in de St. Paulskerk te Frankfort am Main de „Grondrechte des Deutschen Yolkes" werden opgesteld. In § 37 van de toen tot stand gekomen Rijkswet van 27 December 1848 luidde het: „lm Grondeigentum liegt die Berechtigung zur Jagd auf eigenem Grond und Boden." Ook in de onderscheidene Duitsche Staten kwamen evenwel de nadeelen van de onbeperkte vrijheid van den grondeigenaar aan het licht, die het decreet van 1789 in Frankrijk onhoudbaar hadden gemaakt. Het gevolg van dezen ongunstigen toestand van de jacht en den wildstand in Duitschland was het tot stand komen van wetten, geschoeid op den leest van het complexen-stelsel.

1) Jagdgesetz. 17 Augustus 1849. (Ges. Samml. für das Herzogthum Gotha. Band VI. Nr. 360). § 1 sub 3.

2) Bruck, t. a. p. bl. 10 onderscheidt een „de jure Trager des Jagdrechtes" en een „de facto Trager des Jagdrechtes."

3) Het Hamburgsche „Jagdgesetz'' dateert van 2 Januari 1903. (Ges. Samml. 1903. I Abteilung. N°. 2(. — Het ontwerp van wet met de daarbij behoorende toelichting is ingediend als „Mittheilung des Senats an die Biirgerschaft" van 23 Januari 1901. N°. 8.

Sluiten