Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reu ss j. L. '), Bremen ') en het Rijksland ElzasLotharingen3). Hier althans zou men kunnen verwachten bepalingen omtrent de minimum-grootte rler jachtcomplexen te zullen aantreffen. Naar zoo'n bepaling zoekt men echter in de wetten dezer landen en staten tevergeefs: alle in het gebied van eene gemeente gelegen gronden, die niet uitgeschakeld zijn, vormen steeds een op zichzelf staand jachtcomplex, onafhankelijk van hunne ligging en oppervlakte.

Op het standpunt, dat aan een gemeentelijk jachtcomplex geene minimum-grens moet worden aangelegd, stond ook de vroegere Pruisische jachtwet van 7 Maart 1850 4). Toch was de stilzwijgendheid van den Pruisischen jachtwetgever van 1850 op dit punt zeer begrijpelijk, daar hij zijne complexen-regeling opbouwde in aansluiting aan de Gemeind e - o r d n u n g, die toen reeds in voorbereiding was en eenigen tijd later tot stand is gekomen. Deze Gemeinde-ordnung schiep groote gemeenten, zoodat de jachtwetgever, daarop voortbouwende, zeker kon zijn, dat slechts jachtcomplexen van eene voldoende uitgestrektheid zouden ontstaan. Korten tijd na de aanneming evenwel werd de Gemeinde-ordnung afgeschaft en daarmede verloor de wet van 1850 haar aanknoopingspunt; zij zweefde nu in de lucht.

Onder hare werking werd door het Reichsgericht, in over-

eigentume und die künftige Ausübung der Jagd betreffend. 4 December

1848 (Ges. Samml. 1848, bl. 70), gewijzigd by de wet van 3 October

1849 en de verordeningen van 15 November 1852 (Ges. Samml. 1852, bl. 231) en 16 Maart 1855 (Ges. Samml. 1855, bl. 67).

1) Jagdgesetz für das Fürstenthum Renss j. L. 7 April 1897. (Ges. Samml. Bd. XXII, bl. 91), gewijzigd bij eene wet van 16 Juni 1904.

2) Jagdordnung. 27 September 1889. (Ges. Bl. 1889. N°. 28).

3) Gesetz, betreffend die Ausübung des Jagdrechtes. 7 Februari 1881. (Ges. Bl. bl., 5). — Tot 1881 was de Fransche wet van 3 Mei 1844 in Elzas-Lotharingen van kracht.

4) Ges. Samml. 1850, bl. 150.

Sluiten