Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook in L ü b e c k (§ 9 lid i sub 2) is als regel vooropgesteld, dat de jachtcomplexen aan denzelfden minimum-oppervlakteeisch moeten voldoen als de privatieve jachten. De wet laat evenwel eene uitzondering op dezen regel toe, indien het Polizeiamt dit noodig of wenschelijk oordeelt; in dat geval zijn ook jachtcomplexen van minder dan 75 H. A. bestaanbaar. De gedachte, die aan deze Lübecksche bepaling ten grondslag ligt, is juist tegenovergesteld aan eene soortgelijke uitzonderingsbepaling in de jachtwetten van Karinthië') (§ 13), Neder0 o s t e n r ij k2) (§ t3) en V o r a r 1 b e r g 3) (§ 13)) en van Baden4) (§ 9 a) en Sakse n-M e i n i n g e ns) (art. 8 lid 2). In deze wetten toch staat op den voorgrond, dat een gemeentegebied, na aftrek der geprivilegieerde gronden, een zelfstandig jachtcomplex vormt, onafhankelijk van de oppervlakte. Volgens de Oostenrijksche wetten wordt daarvan slechts afgeweken en wordt door samenvoeging van een gemeente-territoir, dat minder dan 415 H. A. groot is, met eene naburige gemeente door de politische Bezirksbehörde een gemeenschappelijk jachtgebied gevormd, indien dit „mit Rücksicht auf eine zweckmiissige Jagdausübung möglich und angezeigt ist." Dit stelsel vertoont veel overeenkomst met dat in SaksenMeiningen, waar de Landrath uit eigen beweging een gemeente-complex van minder dan 87 H. A. kan vereenigen met het Jagdbezirk eener andere gemeente. In Baden echter

1) Jagdgesetz für das Herzogtum Karnten. 4 August. 1902. (L. Gr. u. V. B. 1903. Nr. 15).

2) Jagdgesetz für das Erzherzogthum Oesterreich unter der Enns, mit Ausnahme des Gemeindegebietes der k. k. Reichshaupt- und Residenzstadt Wien. 22 November 1901. (L. G. u. Y. B. 1902. Nr. 42).

3) Jagdgesetz für das Land Yorarlberg. 20 November 1904. (G. u. V. B. 1907. Nr. 15).

4) Gesetz, die Ausübung der Jagd betreffend. 2 December 1850. (Reg. BI., bl. 407).

5) Gesetz, betreffend die Ausübung der Jagd. 29 April 1887. (Samml. der landesb. Verord. Nr. 41).

Sluiten