Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzicht voorzeker niet uit door eene groote buigzaamheid, op een veel ruimer standpunt plaatst zich de jachtwet van Saksen-Altenburg. Indien daar eene overeenkomst tusschen de gemeente, wier gebied te klein is om een zelfstandig jachtcomplex te vormen, en eene of meer naburige gemeenten niet tot stand komt, moet in elk bijzonder geval eene regeling getroffen worden door het Bezirksamt en, indien de gronden onder meerdere Bezirksamter ressorteeren, door de landsregeering. De Brunswijksche wetgever ten slotte komt, voor het geval, dat geene overeenkomst tot stand komt, terug op zijn uitgangspunt, dat met het oog op de economische uitoefening der jacht ook de gemeentelijke jachtcomplexen eene bepaalde minimum-oppervlakte moeten hebben, en laat bij uitzondering bijzondere complexen van minder dan de in de wet bepaalde minimum-grootte toe.

De oplossing van de ongetwijfeld zeer ingewikkelde quaestie, die in de B o h e e m s c h e wet (§ 5) is neergelegd, komt in hare laatste instantie overeen met die in Saksen-Altenburg. De Bezirksausschuss moet de jacht op het gemeentegebied, dat te klein is om een zelfstandig jachtcomplex te vormen, toewijzen in pacht aan den „Besitzer des zumeist angranzenden Jagdgebietes." De wet voorziet evenwel ook in de mogelijkheid, dat deze privatieve jager van die toewijzing niet gediend is. De Bezirksausschuss moet dan in ieder bijzonder geval „eine entsprechende anderweitige Verfügung.... treffen."

In G a 1 i c i ë (§ 10), Görz-Gradisca (§ 14), M a hren (§ 13) en O p p e r-0 o s t e n r ij k (§ 13) heeft de privatieve jager, wiens gronden grenzen aan het gemeentegebied, dat volgens de wet geen zelfstandig jachtcomplex kan vormen, en, indien meerdere privatieve jagers in dezen toestand verkeeren, hij, wiens gronden „in langerer Ausdehnung" aan het gemeente-gebied grenzen '), het recht om de

1) Volgens de jachtwet van Galicië (§ 10 lid 3) heeft, indien verschil-

6

Sluiten