Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minimum-oppervlakte beslaan, maar deze gronden moeten in de tweede plaats voldoen aan de voorwaarde, dat zij in samenhang deze minimum-grootte bereiken. Slechts op aaneengesloten gronden van eene zekere minimum-oppervlakte is het recht tot uitoefening der jacht toegestaan aan den grondeigenaar als zoodanig ').

Terwijl de onderscheidene Duitsche wetten het begrip „aaneengesloten" als bekend vooronderstellen, achten vele der jachtwetten in Oostenrijk eene nadere definieering noodig of althans wenschelijk. Slechts dan voldoet een perceel aan de voorwaarde, dat het is aaneengesloten, „wenn die einzelnen Grundstücke untereinander in einer solchen Verbindung stehen, dass man von einem Grundteile zum andern gelangen kann, ohne einen fremden Grundbesitz zu überschreiten" (Silezië, § 5 lid 1) *). De beteekenis, die deze Oostenrijksche wetten volgens hare uitdrukkelijke bewoordingen hechten aan het begrip „samenhang", wordt door alle overige wetten, die opgebouwd zijn op het complexenstelsel, stilzwijgend aangenomen. Voor samenhang is het reeds voldoende, dat de gronden zoo met elkaar in verbinding staan, dat men van het eene stuk op het andere kan komen zonder gronden van derden te betreden.

Bij de behandeling van de Pruisische jachtwet van 1907 werd gewezen op de vreemdsoortige, voor de uitoefening van de jacht oneconomische vormen, die de privatieve jachten vaak zullen vertoonen, indien geene andere eischen van samenhang worden gesteld. Van meerdere zijden werd de wensche-

1) In het oorspronkelyke ontwerp van (le thans in Schwarzburg-Ruclolstadt geldende jachtwet was geen samenhang van gronden voor privatieve jacht geeischt.

2) Bohemen § 2 lid 2; Görz-Grradisca § 8 lid 1; Karinthië § 7 lid 1 ; Mühren § 7 lid 1; Opper-Oostenrijk § 7 lid 1; Neder-Oostenrijk § 7 lid 1; Stiermarken § 7 lid 1 ; Triest § 5 lid 1; Vorarlberg § 7 lid 1 en Weenen § 7 lid 1.

Sluiten