Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijklieid verdedigd om geene privatieve jacht toe te laten op gronden, waarvan de deelen slechts door smalle strooken grond samenhangen, „Bindfadenjagdbeziike", zooals de afgevaardigde Brïitt het zeer karakteristiek noemde. Het middel om dergelijke oneconomische jachtgebieden te voorkomen, zocht deze hierin. „Wenn man neben dem Kriterium der ordnungsmüssigen Ausübung der Jagd das Verlangen aufstellt, dass der Zukauf im wirtschaftlichen Interesse erfolgt und nicht bloss zu dem Zweck geschehen darf, um die Verbindung zwischen einzelnen nicht zusammenliegenden Grundstücken zu schallen behufs Herstellung eines Eigenjagdbezirkes, so liesse sich über die Sache wohl sprechen" '). Hoewel de ratio van de gemaakte opmerking in het geheel geene bestrijding vond, oordeelden zoowel de Regeering als de Kamers, dat de oplossing dezer quaestie met al te groote moeilijkheden gepaard zou gaan en dat men daarbij uiterst bezwaarlijk alle klippen zou kunnen omzeilen.

Toch oordeelt de Pruisische wet niet iederen samenhang van gronden voldoende om eene privatieve jacht te vestigen. Wegen, dijken en rivieren en de langs wegen, kanalen en spoorwegen loopende en daarbij behoorende gronden, die zelf wegens hare geringe breedte eene economische uitoefening van de jacht niet gedoogen, kunnen ook nooit den dooide wet geeischten samenhang tusschen gescheiden liggende gronden uitmaken. Ook in Reuss j. L. (§ 5 lid 2) vormen spoorwegen, wegen en wateren geen samenhang tusschen verwijderde stukken grond.

Aan den anderen kant staat niet iedere feitelijke onderbreking van den samenhang aan rle mogelijkheid om privatieve jacht te worden in den weg. Op dit punt zijn de onderscheidene wetten niet eenstemmig; de eene wet ziet in eene feitelijke onderbreking der continuïteit spoediger een beletsel voor het zijn van eigen jachtveld dan de andere.

1) Verhandl. t a. p. bl. 5095.

Sluiten