Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen, weil sie in der Hauptsache land- und forstwirtschaftlich nicht nutzbar sind, sondern einem anderen Zweck dienen, nicht einen eigenen Jagdbezirk bilden, wohl aber die Landstreifen, welche neben den Böschungen sich langs des Kanals in einer Breite von oft nur wenigen Metern hinziehen"'). Behalve in Pruisen en in Bremen (§ 5) komt eene dergelijke bepaling in geene der Duitsche of Oostenrijksche wetten voor.

Andere gronden, die aan de overige in de wet gestelde voorwaarden voldoen, kunnen om de daaraan gegeven bestemming geen eigen jachtveld vormen. Met het oog op die bestemming stellen de jachtwetten van het koninkrijk Saksen (§ 4), S a k s e n-A 11 e n b u r g (§ 3) WaldeckPyrmont (§2), Schwarzburg-Sondershausen (§ 3 sub 2), Hamburg (§ 13) en vóór 1907 ook de P r u is i s c h e jachtwet den eisch, dat, behoudens de overige vereischten, de gronden moeten zijn „land- oder forstwirtschaftlich genutzt." De beteekenis van deze bepaling is eigenlijk eenigszins negatief; niet zoozeer om het agrarische gebruik is het hier te doen, maar veeleer om bepaalde gronden uitte sluiten van de mogelijkheid om eene privatieve jacht te vormen, in het bijzonder met het oog op hunne bestemming tot doeleinden, waarmede het jachtbedrijf zich niet laat vereenigen. Het duidelijkst komt dit negatieve karakter aan het licht door de wijziging, die de wet van 1907 in de tot dusver in Pruisen bestaande bepaling bracht. Terwijl de wet van 1850 toch sprak van „land- oder forstwirtschaftlich benutzt," veranderde de wet van 1907 dit laatste woord in „benutzbar". Deze verandering is in 1907 aangebracht, omdat daardoor de bedoeling van den wetgever beter tot haar recht kan komen : „Andererseits können z. B. Militariibungsplatze, die zwar einer land- und forstwirtschallichen Nutzung nicht dienen, hierzu aber vervvendbar sind, Eigenjagdbezirke darstellen" »).

1) Hans der Abg. t. a. p. Nr. 10, bl. 12 en 13.

2) Haus der Abg. t. a. p. Nr. 10, bl. 12.

Sluiten