Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het algemeen gevredigd zijn met betrekking tot wild, onverschillig of daarbij de cultiveering van den wildstand het leidende motief is. Ook met betrekking tot de regeling van de rechtspositie dezer gronden heerscht in de onderscheidene wetten geene eenstemmigheid. De meeste Oostenrijksche wetten doen er het zwijgen toe: de gevredigde gronden maken, voorzoover zij geene wildparken zijn, gewoon deel uit van de gemeentelijke jachtcomplexen. De vrediging der gronden op zichzelf is in deze wetten geen beslissende factor voor het verleenen eener bijzondere rechtspositie.

Eene uitzondering op dezen regel maken echter de wetten van G ö r z-G radisca (§ 6 lid 1 sub n) en van Triest (§ 4 lid i sub b), waar de behoorlijk gevredigde gronden eene privatieve jacht vormen'). Deze oplossing is ook neergelegd in verschillende Duitsche wetten : Pruisen (§ 4); Wurtemberg (art. 2 lid 1 sub 2)*); Baden (§ 7) 3); S a k s e n-W eimar (§ 5

1) De jachtwet van Görz-Gradisca kent deze bijzondere rechtspositie slechts dan toe, indien de gronden zoo van den omringende gronden zijn afgescheiden, „daas (abgesehen von Schneeverwehungen oder den Erfolg des Abschlnsses vereitelnden Zufiilligkeiten) das Haarwild unter gewöhnlichen Verhaltnissen in demselben weder ein- noch auswechseln könne," terwijl die van T r i ë s t eischt, dat de gronden zijn, „abgeschlossen oder durch eine wenigstens 1 M. und 50 cM. hohe Maner umfriedet."

2) De Pruisische wet stelt zich op het standpunt van volstrekte vrediging van de betreffende gronden, van absolute onmogelijkheid, dat een stuk wild in het gevredigde terrein doordringt of daaruit ontsnapt. Verg. Ausführungsanweisung van 1907: „Unter Einfriedigung ist eine vollkommene Abschliessung des Grundstücks durch einen Zaun, ein Drahtgitter oder eine Mauer usw. zu verstehen, die den Zutritt des Laufwildes unbedingt hindert. Ein Herüberwechseln von Laufwild von und nach dem eingefriedigten Jagdbezirk muss unmöglich sein, so dass also der Abschnss von Wild in letzterem auf den Bestand des Laufwildes im benachbarten Jagdbezirk ohne Einfluss bleibt." Verg. G e o r g Mardersteig, Das Jagdrecht des Grossherzogtums Sachsen (1908), bl. 39.

3) De Badensche wet eischt, dat de gronden zoo gevredigd zijn,

Sluiten