Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lid 1 wet 1849); Coburg (§ 2); Sa k sen-Meiningen (art. 2 lid 1 sub 2); Waldeck-Pyrmont (§ 2 sub 2); S c h w a r z b u i' g-S ondershausen (§3)'), Schwarzb u r g-R u d o 1 s t ad t (§ 21 wet 1848); Reuss j. L. (§ 5a) en Elzas-Lotharingen (§ 1 lid 2) *). De eigenaar van de ten aanzien van het wild gevredigde gronden is met uitsluiting van ieder ander op die gronden tot de uitoefening der jacht gerechtigd. In Pruisen echter niet onvoorwaardelijk. De jacht op vliegend wild toch mag de eigenaar slechts uitoefenen met toestemming van de Jachtpolizeibehörde, die tevens de soorten van wild bepaald, waarop gejaagd mag worden. Bovendien moet dat vliegend wild, „wenn es in benachbarten Jagdbezirken heimisch ist", aan den daar tot de uitoefening der jacht gerechtigde worden afgegeven

„dass das Wild weder ausbrechen noch an fremdem Eigenthum Schaden anrichten kann." In zyne commentaar op de Badensche jachtwet (Das Badische Jagdrecht (1886), bl. 38) stelt Dr. K. Schenkel zich op het standpunt, dat „die Abschliessung braucht also" (de cursiveering is van my) „nicht derart zu sein, dass auch das Durchschlüpfen des kleinen Wilds ... • gehindert wird .... Dass die Einfriedigung auch jedes Ein- und Ueberspringen hindere, wird im Gresetze nicht verlangt." De duidelyke woorden der wet en in het bijzonder de eisch, dat het wild uit het gevredigde terrein geene schade moet kunnen toebrengen op de omringende gronden, bewijst maar al te zeer het onhoudbare van deze meening.

1) Terwijl in S c h w a r z b u r g-S o n d e r s h a u s e n (§ 3 sub 1) de eigenaar van een wildpark een onbeperkt recht tot uitoefening van de jacht heeft, is de eigenaar van andere gevredigde gronden in zyn recht beperkt met betrekking tot de middelen.

2) De redactie van § 1 lid 2 van de jachtwet van het Bijksland zou de gedachte kunnen opwekken, dat alle bepalingen van de geheele jachtwet, dus ook bijvoorbeeld alle jacht-politiaire voorschriften, niet toepasselijk zyn op de gevredigde en de andere daar genoemde gronden. Deze meening ware evenwel zonder twijfel onjuist. De bedoeling van het voorschrift is eenvoudig deze, dat de bepalingen betreffende de uitoefening van de jacht niet op de genoemde gronden toepasselyk zijn, dat bij hen het jachtrecht en het recht tot uitoefening van de jacht samenvallen. — In dezen geest ook Bruck, t. a. p. bl. 12.

7

Sluiten