Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaling neerschreef, was tweeledig. Vooreerst wilde hij in ieder geval doen nagaan, of de belangen van de openbare veiligheid zich niet tegen de uitoefening der jacht door den eigenaar verzetten,') — het argument, waarop vooral den nadruk werd gelegd, toen bij de tweede lezing van het ontwerp van wet in de Bürgerschaft de afgevaardigde Witte het voorstel deed,2) om, in afwijking van het bij eerste lezing genomen besluit, terug te gaan tot het oude, beproefde stelsel der vroegere wet, mits met de toevoeging, dat in ieder bijzonder geval de Landherrenschaft zou beslissen, of een stuk grond naar den zin der wet voldoende gevredigd was. En in de tweede plaats wilde de wetgever voor het vervolg alle onzekerheid afsnijden over de vraag, wanneer gronden als voldoende gevredigd moeten worden beschouwd, om het privilege van de privatieve jacht te kunnen genieten 3).

Volgens het oorspronkelijke ontwerp werden de gevredigde gronden öf door de gunstige beschikking van de Landherrenschaft als privatieve jacht uit het gemeentelijke jachtcomplex geschakeld, öf zij maakten daarvan gewoon deel uit. Tertium non dabatur. Dit zou ongetwijfeld groote bezwaren met zich gebracht hebben, en Dr. Albrecht wees bij zijne bestrijding van het voorstel dan ook dadelijk op de moeilijke positie, waarin de parken, behoorende bij gestichten en in het bezit van particulieren, zouden kunnen geraken. Toch wilde hij niet, evenals de afgevaardigde Witte, aan de moeilijkheden tegemoet komen door het Pruisische stelsel aan te nemen. „Das würde die Jagdpachter schadigen, denn es könnte leicht dazu führen, dass Besitzer umfriedigter Grundstücke durch die Cultivirung von Pflanzen, die das Wild besonders liebt, letzteres heranziehen und abschiessen.

1) Sten. Ber. 31 Sitznng der Bürgerschaft, 22 Oct. 1902, bl. 770.

2) Sten. Ber. t. a. p. bl. 769.

3) Mittheilung des Senats an die Bürgerschaft. 23 Januari 1901. N°. 8, bl. 49.

Sluiten