Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de woningen, heilig te houden '), is de uitzonderingsbepaling toe te schrijven, die wij in Beieren (§ 2 lid 1 sub 1), Wurtemberg (art. 2 lid 1 sub 4), SaksenMeiningen (art. 2 sub 1), Saksen-Altenburg (§ 2a), Schwarzburg-Sondershausen (§ 5 lid!)2) en B r e m e n (§ 13) ontmoeten, ten aanzien van de bij eene woning behoorende en daaraan onmiddellijk grenzende erven en tuinen. Volgens de Beiersche, Wurtembergsche en SaksenMeiningsche wetten worden deze gronden tot privatieve jachten gemaakt, mits zij „durch irgendeine Umfriedung begrenzt, oder sonst vollstandig abgeschlossen sind." Volgens de andere genoemde wetten moet de jacht in die uitgeschakelde erven en tuinen blijven rusten.

Vervolgens worden uit de gemeente-jachtcomplexen gelicht de begraafplaatsen. De grond voor deze uitzonderingsbepaling, die voorkomt in de jachtwetten van S a k s e n-A 1tenburg (§ 2b), Schwarzburg-Sondershausen (§ 26), Lübeck (§ 5 sub 3) en het Oostenrijksche kroonland Silezië (§ 8a), is uiteraard meer van ethischen aard. De jacht op begraafplaatsen moet volgens deze wetten blijven rusten.

In de Pruisische en Bremensche wetten is eene uitzonderingsbepaling neergelegd ten behoeve van de eigenaren van vischmeren en vischvijvers. Volgens § 13 dezer wetten hebben de eigenaren het recht deze wateren —volgens de Pruisische wet ook de daarin gelegen eilandjes — buiten het gemeentelijke jachtcomplex te houden, maar,

1) Verg. M. Pollwein, Bayerisches Gesetz vom 30 Miirz 1850, betr. die Ausübung der Jagd (1906), bl. 18.

2) In de jachtwet van Schwarzbur g-S ondershausen wordt gesproken van „Grundstücke, welche zusammenhangend den Hof ganz oder theilweise umgeben, also nicht mit fremden Grundstücken im Gemenge liegen."

Sluiten