Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Saksen-Weimar, Co burg, Waldeck-Pyrmont, Reuss j. L. en het R ij k s 1 a n d l) geene minimumgrootte eischen voor de gemeentelijke jachtcomplexen, doen zij dit wel voor de daaruit gevormde deelcomplexen en stellen zij deze minimum-oppervlakte op 1, 5, 5, 31/,, 4, 4 en 8 maal die van eene privatieve jacht *). De Beiersche wet3) laat evenwel niet de vorming van deelcomplexen, die de in de wet bepaalde minimum-oppervlakte innemen, tot in het oneindige toe. Als tweeden eisch voegt zij toch aan haar voorschrift omtrent de minimum-oppervlakte toe, dat een gemeente-jachtcomplex nooit in meer dan zes deelen mag worden gesplitst. In Wui'temberg, het koninkrijk Saksen, Brunswijk, en Saksen Altenburg is aan de gemeentelijke jachtcomplexen zelf wel eene grens aangelegd. De verhouding tusschen de door de wet voorgeschreven minimum-oppervlakte van een jachtcomplex en die van de deelcomplexen is in die staten respectievelijk 1:4, 1:2, 1 : 6l/s en 1:24) 5).

Onder de werking der Pruisische jachtwet van 1850, waren aan de verdeeling van een gemeentelijk jachtcomplex geene hinderpalen in den weg gelegd en bestond te dezen opzichte de meest onbeperkte vrijheid. Toen nu het ontwerp

vindt evenwel geen steun in de wet, noch in haar § 9, noch in haar geheele systeem

1) In Gotha en Hamburg wordt met geen woord over het vormen van deelcomplexen gesproken.

2) Beieren (art. 5), Baden (§ 9), Saksen-Weimar (§ 2 wet 1853), Coburg (§ 11 lid 2), Waldeck-Pyrmont (§ 5 lid 3), Reuss j. L. (§ 10) en Elzas-Lotharingen (§ 2 lid 3).

3) Met de minimum-oppervlakte van de privatieve jachten in Beieren wordt hier bedoeld, die van de in de vlakte gelegen gronden, dus 240 Tagwerke.

4) Wurtemberg (art. 4), Saksen (§ 9), Brunswijk (§ 2 lid 1), SaksenAltenburg (§ 4).

5) ln Saksen-Meiningen is de minimum-grootte der deelcomplexen vastgesteld op 300 H. A. (art. 8 lid 2).

Sluiten