Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van wet, dat de jachtwet van 1907 is geworden, in het Haus der Abgeordneten in bespreking kwam, wenschten verschillende leden die vrijheid van verdeeling in de jachtwet te behouden. Hun leidend motief daarbij was, dat de Kreisausschuss, die de verdeeling moet tot stand brengen, immers de locale verhoudingen en toestanden het best kent en daarom geene beslissingen zal nemen, die niet ter plaatse de meest rationeele zijn. Vooral in eene zoo uitgestrekte monarchie als de Pruisische bestaan tusschen het Oosten en het Westen zulke ingrijpende verschillen, dat het niet raadzaam zou zijn, eene uniforme regeling dezer materie in de wet neer te leggen. Men zou daarom volgens hen beter doen door aan het gezond verstand en aan de geldelijke belangen der ingelanden, die toch de beste maatstaf in dezen zijn, over te laten, hoever men met eene verdeeling der complexen mag gaan Het verzet mocht evenwel niet baten en in 1907 ging de wet dan ook voor de deelcomplexen eene minimum, oppervlakte voorschrijven.

Toch had de vaststelling van dezen minimum oppervlakteeisch heel wat voeten in de aarde. In het ontwerp, zooals het oorspronkelijk door de Regeering was ingediend, was bepaald, dat geene deelcomplexen, kleiner dan 150 H. A., zouden worden gevormd. Van meerdere zijden lokte deze minimum-grens evenwel een sterk verzet uit, ook van den kant van hen, die toch de onbeperkte vrijheid van de vroegere wet niet wenschten te behouden. De tegenstanders toch oordeelden het in strijd met de eischen der logica, dat voor de deelen een zwaarderen eisch werd gesteld dan voor het geheel l). Naast dit eenigszins theoretische bezwaar stond bij hen evenwel het meer praktische, dat het stellen van de genoemde minimum-grens onrust in het land zou te weeg brengen en eene nieuwe scherpe tegenstelling tusschen groot en

1) Verliandl. t. a. p. bl. 963.

2) Verhandl. t. a. p. bl. 953 en 955.

Sluiten