Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mission iiber den Gesetzentwurf, betreffend die Ausübung des Jagdrechts. In eerste lezing had deze commissie op voorstel van haar lid, den afgevaardigde Schulze-Pelkum, zich op het standpunt gesteld, dat de minimum eisch voor de deelcomplexen gelijk moest zijn aan die voor de privatieve jachten '). In tweede lezing kwam zij echter op haar eerste votum terug en stelde zich nu op het standpunt van het oorspronkelijke regeeringsvoorstel, maar voegde daaraan toe, dat die minimum-grens „im Interesse der Jagdgenossenschaft" tot 75 H. A. zou kunnen verlaagd worden *). Bij derde lezing veranderde de commissie nogmaals van inzicht en nam nu eene redactie aan, die thans in de wet van 1907 is opgenomen, namelijk dat als regel de deelcomplexen niet kleiner mogen zijn dan 250 H. A. „Ausnahmsweise", evenwel „kann im Interesse der Jagdgenossenschaft eine Herabsetzung bis zu 75 H. A. stattfinden." Slechts bij uitzondering zou dus voor deelcomplexen de minimum-grens gelijk gesteld kunnen worden met die voor de gemeentelijke jachtcomplexen en voor de eigen jachtvelden. Tegen die uitzondering ontstond zelfs nog verzet in het Herrenhaus, terwijl daar de minimumgrens van 250 H. A. vrij algemeen instemming vond. „Was die Teilung der Jagdbezirke anlange," zoo schreef de Agrarkommission uit het Herrenhaus in haar rapport over het ontwerp-jachtwet, zooals het haar na de behandeling in het Haus der Abgeordneten bereikte, „so sei der Beschluss des Abgeordnetenhauses, diese nur in einer Grosse von 250 H. A. zuzulassen, im jagdlichen Interesse mit Freurlen zu begrüssen; je grösser die Bezirke seien, urn so mehr sei die Garantie geboten, dass die Jagd nach jagdlichen Grundsatzen ausgeübt werde, um so höher würde aber auch der Ertrag der Jagd sein; die Bestimmung liege also auch im Interesse

1) Haus der Abg. t. a. p. Nr. 322, bl. 19.

2) Haus der Abg. t. a. p. Nr. 322, bl. 21.

8

Sluiten