Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

der Grundbesitzer" ')• Ja. zelfs gingen sommige leden zoover, dat zij de exceptie der 75 H. A. „eine unerwünschte Durclibrechung des im ersten Satz festgestellten Grundsatzes" noemden«). Toch mocht het verzet niet baten, integendeel, vrij algemeen stelden de leden der beide Huizen zich op het standpunt, dat verdeeling van het jachtcomplex in deelcomplexen van minder dan 250 H. A. slechts in zeer bijzondere gevallen wenschelijk zou zijn en men verwachtte daarom ook, dat in de praktijk eene verder gaande verdeeling weinig zou voorkomen 3). Verdeeling tot op de minimum-grens van 75 H. A. moest evenwel mogelijk blijven, omdat zij in het belang kon zijn van het complex, bijvoorbeeld met het oog op mogelijk grootere jachtopbrengsten, wegens nabuurschap van groote bosschen, waaruit veel wildschade wordt toegebracht enz.4). Slechts als uitzondering is dus thans in Pruisen bij deelcomplexen de minimumgrens toegelaten, die bij gemeente-jachtcomplexen en eigen jachtvelden regel is 5).

1) Herrenhaus t. a. p. Nr. 122, bl. 13.

2) Herrenhaus t. a. p. Nr. 122, bl. 13.

3) Verg. Graaf von Mirbach-Sorquitten in de vergadering van het Herrenhaus van 6 Juni 1907 (Verhandl. t. a. p. bl. 348); anders Von Pappenheim in de vergadering van het Haus der Abgeordneten van 13 Mei 1907 (Verhandl. t. a. p. bl. 5105), die integendeel, althans in Hessisch-Pruisen, eene vry algemeene verdeeling der jaehteomplexen tot op 75 H. A. verwachtte.

4) Tegen de bepaling, dat het belang van de Genossenschaft het leidende motief moest zyn voor eene verdeeling tot op 75 H. A., kwam in de vergadering van het Haus der Abgeordneten van 14 Mei 1907 (Verhandl. t. a. p. bl. 5130 en 5131) in het bijzonder verzet van den afgevaardigde S c h u 1 z e-P e 1 k u m, die aantoonde, dat zoo'n verdeeling wel eens niet in het belang kon zijn van het complex, maar integendeel in dat van den privatieven jager, waarmede toch ook moest rekening gehouden worden.

5) Verdeeling van de jaehteomplexen geschiedt in Pruisen voor niet korter dan 6 jaar en tevens dan den duur der jachtpaehtperiode, indien de jacht verpacht wordt (§ 7 lid 4).

Sluiten