Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook de onderscheidene jachtwetten van de Oostenrijksche koninkrijken en landen stellen zich ten aanzien van deze quaestie op een verschillend standpunt. Volgens het Kaiserliche Patent van 1849 (§ 7) en de jachtwet van W e e n e n (§ 8) is eene verdeeling van de jachtcomplexen volstrekt uitgesloten.

In de jachtwet van Silezië treft men eene bepaling aan, die klaarblijkelijk de splitsing in deel-complexen zooveel mogelijk wil tegengaan en het gemeentelijke jachtveld in zijn geheel wil laten blijven (§11 lid 2). Gronden beneden 1000 H. A. mogen niet gesplitst worden; tusschen 1000 en 2000 H. A. mogen gesplitst worden in niet meer dan twee deelen, waarvan het kleinste in ieder geval meer dan 500 H. A. groot moet zijn; gronden boven 2000 H. A. ten slotte mogen verdeeld worden in niet meer dan drie deelcomplexen, waarvan eveneens geen kleiner mag zijn dan oOO H. A. In het koninkrijk Bohemen is de wetgever echter zoo mogelijk nog minder geneigd, om splitsing van jachtcomplexen toe te laten. De Boheemsche jachtwet (§6) toch verbiedt ze, indien het complex minder dan 1500 H. A. groot is. En te meer springt die weinige geneigdheid van de Boheemsche wet, om de vorming van deelcomplexen te bevorderen, in het oog, indien deze 1500 H. A. vergeleken worden met den minimum-eisch, die aan de privatieve jachten is gesteld (115 H. A.).

De jachtwet van Stiermarken (§ 8 lid 1) laat eene verdeeling van het gemeentelijke jachtcomplex naar de Kadastralgemeinden toe, mits deze een bejaagbaar deelcomplex van ten minste 300 H. A. vormen, terwijl de overige Oostenrijksche wetten — behalve die van T r i ë s t (§ 6), waar de vorming van deelcomplexen aan geene minimum-oppervlakte is gebonden, — zich op het standpunt stellen dat bij deelcomplexen dezelfde minimum-grens moet worden aangelegd als bij eigen jachtvelden.

Verdeeling van privatieve jachten in jachtperceelen. Heeft de eigen jager het recht om

Sluiten