Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Görz-Gradisca (§ 13) ook het oog op de privatieve jachten en houdt zij ook rekening met de mogelijkheid, dat eene privatieve jacht met stukken van een gemeentelijk jachtcomplex wordt afgerond en omgekeerd.

Enclaves. Tot dusver ging de vorming van jachtgebieden in geene der buitenlandsche wetten, die op het complexenstelsel opgebouwd zijn, met buitengewoon groote verwikkelingen gepaard. Thans evenwel daagt eene moeilijkheid op, waarop reeds vroeger, hoewel slechts ter loops, de aandacht is gevestigd, het enclave-vraagstuk. Het geval kan zich voordoen, dat gronden, die niet voldoen aan de voor privatieve jachten gestelde minimum-eischen, geheel of voor het grootste gedeelte zijn ingesloten door één of meer privatieve jachten of jachtcomplexen, waarvan zij rechtens geen deel uitmaken. De mogelijkheid bestaat aan den anderen kant ook, dat een stuk van een terrein, dat aan deze minimum-eischen wel voldoet, voor het grootste gedeelte wordt ingesloten door een of meer eigen jachtvelden of complexen, zoodat het slechts over eene betrekkelijk kleine uitgestrektheid samenhangt met de overige deelen van het jachtgebied, waarvan het deel uitmaakt. De vraag rijst nu: wat moet de rechtspositie van die gronden zijn? Deze ujterst ingewikkelde en kiesche quaestie trachten alle jachtwetten in het Duitsche Rijk en Oostenrijk zonderonderscheid — in het bijzonder met het doel om eene„raubwirthschaftliche Jagdausübung" ') tegen te gaan, waartoe de geënclaveerde gronden anders zoo'n welkome gelegenheid bieden, — op te lossen, de eene met meer, de andere met minder zorg. Het vraagstuk is kiesch en vereischt eene bijzondere zorg; immers „der Jagdberechtigte auf der kleinsten eingesprengten Parzelle kann die pflegliche Behandlung des Wildstandes in den Waldungen der grosseren Grundbesitzer und der Ge-

1) Schenkel, t. a. p. bl. 34.

Sluiten