Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij het ook als uitzondering, jachtgebieden van minder dan 75 H. A. toe te laten, in de volksvertegenwoordiging niet onverdeeld instemming en van verschillende zijden werd er op aangedrongen, om terug te keeren tot het stelsel, dat de wetgever van 1850 zich had gedacht en dat in de praktijk te kwader ure was verlaten. De meerderheid evenwel bestreed die meening; het was wel mogelijk, dat de wetgever van 1850 zich geene zelfstandige jachtgebieden van minder dan 300 Morgen oppervlakte had voorgesteld, maar in de praktijk bestonden deze nu eenmaal en met dien bestaanden toestand behoorde rekening te worden gehouden. Men moest zooveel mogelijk in acht nemen de gevleugelde waarschuwing van den grooten Rijkskanselier, het quieta non mooere. In de zitting van het Haus der Abgeordneten van 14 Mei 1907]) maakte de afgevaardigde Graaf von Carmer zich tot tolk van deze opvatting met de woorden „Tatsachlich also hat dieser Rechtszustand bestanden, und wenn durch das jetzige Gesetz in diesen Rechtszustand eingegrilïen wird, so ist das bedenklich; denn es sind Rechte, die mit dem Grund und Boden zusammenhiingen. Es sind weniger pekuniare Vorteile, die die Genieinden davon haben, es ist das Festhalten an dem Recht der Jagdverpachtung." Op dat standpunt staat dan ook de tegenwoordige Pruisische wet.

Zooals uit het bovenstaande blijkt, kent de Pruisische wet in het algemeen slechts Ganzenklaven. Slechts in één zeer bijzonder geval schept zij ook eene enclave-regeling voor gedeeltelijk omsloten gronden. Indien gronden, die minder dan 75 H. A. groot zijn, voor ten minste 90 % van hun omtrek worden omsloten door een in samenhang ten minste 750 H. A. groot bosch, dat ééne bezitting vormt, moet de jacht op dat enclos worden verpacht aan den eigenaar van het bosch, indien deze daartoe het verlangen te kennen geeft, tenzij door de uitschakeling het gemeente-

1) Verhandl. t. a. p. bl. 5142.

9

Sluiten