Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

last is. Het andere uiterste is, dat de wet zich stelt op den eisch, dat de jacht moet verpacht worden voor een in de wet bepaald aangewezen aantal jaren, noch langer, noch korter, waarvan afwijking in het geheel niet door de wet wordt voorzien. Dit systeem wordt omhelsd in de jachtwet van Elzas-Lotharingen (§ 2 lid 2), waar de duur der pachtperiode is bepaald op negen jaar.

Tusschen deze beide uitersten zijn evenwel verschillende tusschenschakeeringen mogelijk, waarbij de wetgever zich wel met den jachtpachtduur inlaat, maar daarbij toch aan het locale bestuur voor ieder bijzonder geval ruimte laat voor afwijking, hetzij onbeperkt, hetzij binnen zekere grenzen.

De meeste wetten gaan uit van dit standpunt, dat zij een bepaalden duur van de pachtperiode als normaal geval op den voorgrond stellen en daarbij de mogelijkheid openlaten voor eene speling rondom dat vaste punt naar boven en naar beneden, of wel alleen naar boven of alleen naar beneden. Het geval eener naar den tijd onbeperkte speling rondom het vooropgestelde vaste punt, zoowel naar boven als naar beneden, ontmoeten wij slechts in de jachtwet van Weenen (§ 10). De normale pachtduur is daar gesteld op 5 jaar, terwijl verlenging of verkorting van deze periode zoo ruim mogelijk is toegelaten, mits onder goedkeuring van den „Stadtrat".

Vrij algemeen verbreid is daarentegen het stelsel van eene zoowel naar boven als naar beneden beperkte speelruimte rondom de door de wet gevestigde normale jachtpachtperiode. Deze verlenging of verkorting moet worden toegestaan hetzij door de „Statthalterei" („Landesregierung"), zooals in G ö r z-G r a d i s c a (§ 10), N e d e r-0 ostenrijk (§ 9), V o r a r 1 b e r g (§ 9) en K a r i n t h i ë (§ 9), hetzij door de „politische Bezirksbehörde", zooals in S i 1 e z i ë (§ 16) en Stiermarken (§ 9) of door de „Stadtmagistrat", zooals in T r i ë s t (§ 7). In alle deze gevallen, behalve in dat van Triëst, moet het verzoek tot afwijking

Sluiten