Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgaan van de Gemeinde-vertretung en gericht worden tot de politische Bezirksbehörde. De afwijking moet in alle gevallen — alleen de Silezische wet eischt dit niet uitdrukkelijk — gemotiveerd zijn: „aus triftigen Gründen" '). In Neder-Oostenrijk is de normale duur der jachtpachtperiode gesteld op 5 en de speelruimte op 3—8, in Karinthië en Vorarlberg op 5 resp. 3—10, in Stiermarken op 6 resp. 4—8, in Görz-Gradisca en Silezië op 8 resp. 6—10 en in Triëst op 10 resp. 6—14 jaar.

In Bukowina, Istrië, Krain, Salzburg en Ti rol wordt afwijking van de op 5 jaar vastgestelde normale pachtperiode naar boven onbeperkt, naar beneden slechts tot een minimum-duur van 3 jaar toegelaten en dan nog alleen „aus erheblichen Gründen". De regeling van den duur der pachtperiode is voor deze landen niet opgenomen in het Kaiserliche Patent van 1849, maar in de Verordnung des Ministeriums des Innern van 15 December 1852 (§ 6). Een stelsel, waarbij afwijking van den normalen duur naar beneden ongelimiteerd, maar naar boven aan eene bepaalde grens gebonden wordt toegelaten, komt evenwel in geene enkele der Oostenrijksche wetten voor.

In de Duitsche wetten worden twee stelsels omhelsd met betrekking tot de regeling van den pachtduur. Vooreerst, dat de wet een minimum duur der jachtpachtperiode bepaalt, het stelsel, dat aangenomen is in W u r t e mberg (art. 5), Saksen (§ 20), Baden (§3), Starkenburg en Oberhessen2), Saksen-Weimar(§3 wet

1) In Grörz-Gradisca heet dit „aus riicksichtswidrigen Gründen."

2) In artikel 20 van de wet van 2 Augustus 1858 (Reg. BI. 1858 Nr. 29) wordt, in afwijking van de wet van 1848, bepaald, dat de pachtperiode niet korter mag duren dan 6 jaar. Verg. A. HalIer, Die im Grossherzogthum Hessen dermalen guitige Jagdgesetzgebung (1884), bl. 19.

Sluiten