Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1853), Saksen-Altenburg1) (§11 lid 1), Coburg (§ 12 lid 1), R e u s s j. L. (§ 17 lid 3) en R e u s s a. L. (§ 16). De mogelijkheid van afwijking van dat minimum, dat in Wurtemberg, Saksen-Weimar en Coburg op 3 en in de andere staten op 6 jaar is bepaald, is in al deze wetten naar boven onbegrensds). Ook in het reeds meermalen genoemde Hessische ontwerp (art. 3 lid i) is het stelsel, dat in de thans vigeerende jachtwet is neergelegd, bewaard gebleven. „Im Interesse der Erhaltung des Werts der Jagden," zooals het in de Begründung heet3), brengt dit ontwerp echter de normale jachtpachtperiode op 9 jaar en laat daarvan alleen afwijking toe naar boven; naar boven behoudt het bestuur van het jachtcomplex geheel de vrije hand.

Een soortgelijk stelsel is ook neergelegd in de jachtwetten van de koninkrijken der Oostenrijksche Kroon: Bohemen (§ 17) en G a 1 i c i ë (§ 5). De Boheemsche jachtwet kent eigenlijk eene verlenging van den minimalen jachtpachtduur met twee trappen. Een jachtpachtcontract kan nooit voor korteren tijd worden afgesloten dan voor 6 jaar; bij eene verlenging dezer periode tot ten hoogste 12 jaar is het orgaan van het complex, dat met de verpachting belast is, geheel vrij, terwijl voor jachtpachtperioden van langeren duur toestemming noodig is van den Bezirksausschuss. In Galicië eindelijk is de mogelijkheid van afwijking van den minimum-duur van 6 jaar door de „Statthalterci" slechts beperkt toe-

1) Bij voortzetting van de loopende pachtperiode is men echter aan dezen termijn niet gebonden.

2) In het oorspronkelijke ontwerp van de novelle van 1886 in Baden was eene bepaling opgenomen, dat, mits onder de noodige waarborgen, een jachtpachtcontract ook voor korter dan 6 jaar kon worden afgesloten. Deze bepaling is evenwel niet in de wet overgegaan. In de praktijk worden in den regel geene pachtcontracten voor langer dan 12 jaar afgesloten.

3) Drucksache t. a. p. bl. 23.

10

Sluiten