Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestaan en wel tot een maximum duur van 12 jaar. Het verzoek om deze dispensatie moet „aus triftigen Gründen" door de Gemeinde-vertretung gericht worden tot de politische Bezirksbehörde.

Eene oplossing, lijnrecht tegenovergesteld aan de tot dusver besprokene, is vaststelling in de wet van een maximum-duur der pacbtperiode met mogelijkheid van al of niet begrensde afwijking daarvan naar beneden. In geene der Duitsche wetten is dit systeem echter neergelegd, dat alleen voorkomt in de jachtwet van O p p e r-0 o s t e n r ij k (§9), waar de maximum-duur is bepaald op 6 jaar en afwijking naar beneden slechts mogelijk is „aus triftigen Gründen", tot eene minimum-grens van 4 jaar.

Verschillende Duitsche wetten gaan niet uit van de vaststelling van een normalen jachtpachtduur, waarvan afwijking, hoewel slechts bij wijze van uitzondering, mogelijk is, maar zij laten integendeel aan het bestuur van het jachtcomplex eene speelruimte binnen een maximum- en een minimum-duur. Eene speelruimte van 3—12 jaar is neergelegd in de jachtwet van S c h w a r z burg-Rudolstadt (§ 9 lid 2 verord. 1855)'), van 4—12 jaar in SaksenMe i n i n g e n (art. 7 lid 3) en van 6—12 jaar in Pruisen (§ 22, 4°), Schwarzburg-Sondershausen (§ 9 lid 2), Waldeck-Pyrmont (§ 12), Brem en (§ 18) en Lübeck (§ 27). In Pruisen komt daarbij evenwel deze eigenaardigheid voor, dat „im Interesse der Jagdgenossenschaft" eene verruiming dezer speelruimte van 3—18 jaar mogelijk is, mits onder goedkeuring van den

1) In de wet van 1848 (§ 9) was deze termijn bepaald op één, in de verordening van 1852 (§ 2) op ten hoogste drie jaar. De thans in Schwarzburg-Rudolstadt geldende minimum- en maximum-duur is zoo algemeen mogelijk; zij geldt zoowel voor de vorstelijke jacht en de jacht in de „unterherrschaftliche Waldungen" (§ 8) als voor de privatieve jachtvelden (§ 10).

Sluiten